LJN: AZ1298, Rechtbank Amsterdam , CV 04-31544

RECHTBANK AMSTERDAM
SECTOR KANTON – LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk: CV 04-31544
Datum: 6 oktober 2005

251

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

[eiseres]
wonende te [woonplaats]

eiseres
nader te noemen [eiseres]

gemachtigde: mr. M.J. Meijer

t e g e n:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND B.V.
gevestigd te Amsterdam

gedaagde
nader te noemen Dexia

gemachtigde: P. Swier, deurwaarder

VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij tussenvonnis van 23 juni 2005 is de zaak naar de rolzitting van 28 juli 2005 verwezen voor het nemen van aktes door partijen. Op 28 juli 2005 heeft [eiseres] een akte genomen en daarbij een productie overgelegd. Dexia heeft een akte genomen op 1 september 2005.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Overgenomen wordt wat overwogen en beslist is in het tussenvonnis van 23 juni 2005. De kantonrechter blijft daarbij.
2. In dit tussenvonnis is [eiseres]:
a. in de gelegenheid gesteld door overlegging van een uittreksel uit het huwelijksregister bij akte aan te tonen dat zij ten tijde van het sluiten van voormelde overeenkomsten in 1999 en 2000 door [de echtgenoot] met de Bank al met [de echtgenoot] was gehuwd;
b. opgedragen nadere, gespecificeerde inlichtingen te verschaffen over welke bedragen tot op heden door [de echtgenoot] uit hoofde van voormelde overeenkomsten aan Dexia zijn betaald;
c. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het onder 24 en 25 van het tussenvonnis bedoelde vraagpunt onder de bepaling dat Dexia, nadat [eiseres] deze akte ingediend heeft, bij antwoordakte daarop zal mogen reageren
3. [eiseres] heeft een uittreksel uit het huwelijksregister overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 13 oktober1986 met [de echtgenoot] gehuwd is en dat nog steeds is. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten met Dexia was zij dus met [de echtgenoot] gehuwd.
4. Blijkens de akte van [eiseres] d.d. 28 juli 2005 en de antwoordakte d.d. 1 september 2005 van Dexia zijn partijen het erover eens dat met betrekking tot de overeenkomst d.d. 9 juni 1999 [eiseres] in maandelijkse termijnen in totaal € 4.060,08 aan Dexia heeft betaald en met betrekking tot de overeenkomst d.d. 29 maart 2000 in totaal € 4.086,72. Partijen verschillen van mening over de vraag, of deze bedragen betaald zijn ter zake rente over de geleende bedragen of ter zake aflossing van die bedragen.
5. Uit artikel 3 van het contract d.d. 9 juni 1999 en van het contract d.d. 29 maart 2000 blijkt zonneklaar dat de bedragen betaald zijn ter zake de uit hoofde van de overeenkomsten verschuldigde rente over de geleende bedragen voor de aankoop van de effecten. Voormelde door [eiseres] aan Dexia betaalde bedragen moeten dan ook volledig aangemerkt worden als burgerlijke vruchten in de zin van artikel 3:120 BW.
6. In het tussenvonnis d.d. 23 juni 2005 sprak de kantonrechter als zijn voorlopig oordeel uit dat Dexia bezitter te goeder trouw was van de vorderingen op [de echtgenoot] uit hoofde van de overeenkomsten met Dexia en aan Dexia dus de tot aan de vernietiging van de overeenkomst door [de echtgenoot] betaalde rentetermijnen toebehoren krachtens artikel 6:206 iuncto artikel 3:120 BW. [eiseres] bestrijdt dat. Dexia deelt dit oordeel.

7. Bij de beslechting van dit dispuut moet voor ogen gehouden worden dat de regeling van artikel 1:88 BW, strekt ter bescherming van de echtgenote of echtgenoot tegen de in artikel 1:88 BW genoemde rechtshandelingen van haar of zijn wederhelft waarvoor zij of hij geen toestemming verleend heeft. De regeling van artikel 1:88 BW, die stamt uit het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw toen de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw werd afgeschaft en waarvan sterk betwijfeld kan worden of deze nog wel past in de huidige tijd, strekt dus niet ter bescherming tegen de derde met wie of ten behoeve van wie gehandeld is.

8. Overwogen wordt verder dat het maar de vraag is of de echtgenoot van [eiseres] zonder haar mondelinge toestemming, althans zonder haar medeweten de overeenkomsten met de Bank gesloten heeft. In elk geval is het niet erg waarschijnlijk dat [eiseres] de overeenkomst vernietigd zou hebben als redelijkerwijs te verwachten was dat de overeenkomst het profijt zou brengen dat haar echtgenoot (en zij) ervan verwachtte(n). Door de vernietiging van de overeenkomst komt het risico dat inherent is aan een effectenlease-overeenkomst, ten volle voor rekening van Dexia.

9. Bij de toepassing van artikel 1:89 BW en artikel 6:203 BW iuncto artikel 3:120 BW dient onderscheid gemaakt te worden tussen het zijn van ontvanger al dan niet te goeder trouw van wat onverschuldigd betaald is uit hoofde van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 BW en het verrichten al dan niet te goeder trouw in de zin van artikel 1:89 lid 2 BW van een zodanige rechtshandeling.

10. Toen de Bank met [de echtgenoot], de echtgenoot van [eiseres], de overeenkomsten sloot, had zij als bank, zoals [eiseres] terecht in haar akte aangevoerd heeft, behoren te weten dat [de echtgenoot] de schriftelijke toestemming van zijn echtgenote, [eiseres], ingevolge artikel 1:88 BW behoefde, wilde zij de mogelijkheid uitsluiten dat [eiseres], als dat voor haar opportuun zou zijn, de overeenkomsten op grond van artikel 1:89 lid 1 BW zou vernietigen. Bij het sluiten van de overeenkomsten was de Bank dus niet te goeder trouw in de zin van artikel 1:89 lid 2 BW.

11. De overeenkomsten die vallen onder de in artikel 1:88 BW genoemde rechtshandelingen, zijn onaantastbaar voor de partij die deze zonder (schriftelijke) toestemming van zijn of haar echtgenoot gesloten heeft en zijn alleen vernietigbaar voor die echtgenoot, die geen partij bij die overeenkomst is.

12. Nadat de Bank de overeenkomsten met de echtgenoot van [eiseres] gesloten had, werd zij rechthebbende van de vorderingen op de echtgenoot van [eiseres] uit die overeenkomsten. Zij beschouwde zich als rechthebbende van die vorderingen en mocht zich ook redelijkerwijs als zodanig beschouwen. Tot aan het tijdstip dat de overeenkomsten door [eiseres] vernietigd werden, was de Bank c.q. Dexia dan ook ontvanger te goeder trouw van wat zij uit hoofde van de overeenkomsten van de echtgenoot van [eiseres] ontving.

13. Op deze gronden komt de kantonrechter tot het definitieve oordeel dat de rentebedragen die door de echtgenoot van [eiseres] betaald zijn tot het tijdstip dat [eiseres] de overeenkomst vernietigde, aan Dexia toebehoren.

14. Hieruit volgt dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht op de hieronder aangegeven wijze moet worden toegewezen en de door haar gevorderde terugbetaling van wat zij uit hoofde van de overeenkomsten aan Dexia betaald heeft, moet worden afgewezen.

15. Gelet op deze uitkomst moet Dexia beschouwd worden als de meest in het ongelijk gestelde partij. Om die reden moet zij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat de aandelenlease-overeenkomsten die de Bank en [de echtgenoot] op 9 juni 1999 en 29 maart 2000 onder de nummers 74206118 en 59112522 sloten, gekwalificeerd moeten worden als overeenkomsten van koop op afbetaling, waarop artikel 1:88 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is en dat deze overeenkomsten door [eiseres] bij gebreke van haar schriftelijke toestemming krachtens artikel 1:89 van het Burgerlijk Wetboek bij brief d.d. 14 april 2003 van haar gemachtigde zijn vernietigd;
II. wijst af het meer of anders gevorderde;
III. veroordeelt Dexia, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure die aan de zijde van [eiseres] gevallen zijn en die tot aan deze uitspraak begroot worden op:
– voor verschuldigd griffierecht   €  102,00
– voor het exploot van dagvaarding €  83,78
– voor salaris van gemachtigde   €  812,50

In totaal:   € 998,28
één en ander, voorzover verschuldigd, inclusief BTW.

Aldus gewezen door mr. F.M.P.M. Strengers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.