LJN: BB9215, Rechtbank Amsterdam , 816554 DX EXPL 06-2915

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 816554 DX EXPL 06-2915
Vonnis van 17 oktober 2007 (bij vervroeging)
F.no.: 596

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiseres]
wonende te [woonplaats],
eiseres,
nader te noemen [eiseres],
gemachtigde: mr. M.J. Meijer,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
nader te noemen Dexia,
gemachtigde: dw. P. Swier.

De procedure
Bij tussenvonnis van 27 juni 2007, waaraan de kantonrechter zich houdt, is een comparitie van partijen bepaald, die op 9 oktober 2007 is gehouden. Verschenen zijn [eiseres], haar echtgenoot de heer [echtgenoot] (verder te noemen: [echtgenoot]) en haar gemachtigde mr.M.J. Meijer. Namens Dexia zijn verschenen de heer P. Walenkamp en gemachtigde mr. J.M. Vermolen. Partijen hebben bij deze gelegenheid inlichtingen verstrekt.

Voorafgaand aan deze comparitie zijn van de zijde van [eiseres] stukken van 17 september 2007 ontvangen en van de zijde van Dexia stukken van 3 oktober 2007.

Ter comparitie is gebleken dat:

– partijen ermee instemmen dat de vordering van [eiseres] onder punt 2 van het petitum in de dagvaarding begrepen moet worden als een vordering tot betaling van alle door [echtgenoot] onverschuldigd aan Dexia betaalde bedragen;
– partijen ermee instemmen dat voor de bepaling van de uit hoofde van de lease-overeenkomst door [echtgenoot] verrichte betalingen en ontvangen dividenden wordt uitgegaan van het doorDexia bij faxbericht van 3 oktober 2007 overgelegde overzicht. [echtgenoot] heeft derhalve € 14.803,25 betaald en € 2.379,65 dividend ontvangen.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

1. Beoordeling van de vorderingen

1.1. Bij tussenvonnis van 27 juni 2007 is beoordeeld dat [eiseres] een beroep op 1:89 BW toekomt, mits zij middels een uittreksel uit het huwelijksregister aantoont dat zij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst met [echtgenoot] gehuwd was.

1.2. Hoewel het uittreksel uit het huwelijksregister niet door [eiseres] is overgelegd, er is enkel een afschrift van de huwelijksakte in het geding gebracht, heeft zij ter comparitie aan de kantonrechter en Dexia haar paspoort getoond, waarin staat vermeld dat zij met [echtgenoot] is gehuwd. Dexia heeft aangegeven zulks als voldoende bewijs te beschouwen voor het bestaan van het huwelijk tussen [eiseres] en [echtgenoot] ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst. De kantonrechter ziet geen reden tot een afwijkende opvatting.

1.3. [eiseres] heeft bij brief van 15 november 2004 een beroep op artikel 1:89 BW gedaan en de vernietiging van de door [echtgenoot] afgesloten lease-overeenkomst ingeroepen. Dexiaheeft gesteld dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW verjaard is, nu het beroep op artikel 1:89 BW niet binnen 3 jaar na het aangaan van de lease-overeenkomst door [eiseres] is gedaan.

1.4. Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft Dexia aangevoerd dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. Dit moge in veel gevallen juist zijn, maar is onvoldoende om deze bekendheid ook aan te nemen in gevallen waarin die bekendheid gemotiveerd wordt betwist. Aan deze eis van gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] voldaan, doordat zij gesteld heeft dat zij zich niet met de financiële gang van zaken binnen de onderneming van [echtgenoot] bezighield. De betalingen uit hoofde van de lease-overeenkomst werden verricht vanaf de zakelijke rekening, van welke rekening [eiseres] nimmer rekeningafschriften zag. Deze rekeningafschriften werden na de verhuizing van [eiseres] en [echtgenoot] naar [woonplaats] verzonden aan het zaakadres. [echtgenoot] heeft bovendien verklaard niet met [eiseres] over de door hem gesloten lease-overeenkomsten te hebben gesproken. [echtgenoot] wilde [eiseres] verrassen op het moment dat hij met de lease-overeenkomsten goede resultaten had behaald.

1.5. In dit licht heeft Dexia haar stelling dat [eiseres] de overeenkomst na het verstrijken van de verjaringstermijn heeft vernietigd, onvoldoende met feiten onderbouwd, zodat die stelling gepasseerd dient te worden en er geen aanleiding is Dexia ter zake tot bewijs toe te laten. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat [eiseres] de overeenkomst tijdig heeft vernietigd. Dientengevolge dienen alle betalingen van [echtgenoot] aan Dexia ter zake van de lease-overeenkomst te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [echtgenoot] ter zake van die overeenkomst van Dexia ontvangen heeft, zoals uitgekeerde dividenden. Dit komt in onderhavig geval neer op terugbetaling door Dexia van een bedrag van € 12.423,60 (verrichte betalingen ad € 14.803,25 minus ontvangen dividenden ad € 2.379,65).

1.6. Gelet op de strekking van artikel 1:88 BW is voor toepassing van artikel 6:278 BW in dit geval geen plaats. De kantonrechter verwijst ter motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 april 2007 (LJN: BA 3916) en neemt de daarin onder punt 6.2.4. opgenomen overweging over.

Wettelijke rente

1.7. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het in 1.5 bedoelde saldo van de doorDexia te restitueren betalingen vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was. Hoewel [eiseres] geen afschrift van de door haar aan Dexia gezonden vernietigingsbrief van 15 november 2004 heeft overgelegd en de ingangsdatum van het verzuim niet feitelijk vastgesteld kan worden, ziet de kantonrechter aanleiding rekening te houden met een redelijke termijn van twee weken vanaf dagtekening brief. De wettelijke rente is derhalve toewijsbaar met ingang van 30 november 2004.

Buitengerechtelijke kosten

1.8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 400,00 worden toegewezen nu deze het bij deze sector kanton gebruikelijke tarief niet overschrijden.

1.9. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

7.12. Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitvoerbaar bij voorraad

7.13. Er is bij afweging van de belangen van beide partijen bij de onderhavige uitspraak onvoldoende aanleiding het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7.14. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding. De eigendom van de in het kader van de lease-overeenkomst gekochte effecten is bij Dexia verbleven.

Beslissing

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat artikel 1:88 BW op de lease-overeenkomst van toepassing is en dat de lease-overeenkomst derhalve buitengerechtelijk vernietigd is;

II. veroordeelt Dexia aan eiseres te voldoen:

– € 12.423,60 als hoofdsom;
– € 400,00 als buitengerechtelijke incassokosten;
– de wettelijke rente over € 12.423,60 vanaf 30 november 2004 tot aan de dag der voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen, tot op heden begroot op:
– voor verschuldigd griffierecht    € 190,00
– voor het exploot van dagvaarding  € 83,78
– voor salaris van gemachtigde    € 1.200,00

In totaal:      € 1.473,78

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.