LJN: BC5904, Rechtbank Alkmaar , 85700

RECHTBANK ALKMAAR

Sector civiel recht

zaak- en rolnummer: 85700 / HA ZA 06-111
datum: 27 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

EISER SUB 1 en EISER SUB 2,
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS bij dagvaarding van 19 januari 2006,
procureur mr. A.J. van der Veen,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen:

de naamloze vennootschap DSB BANK NV,
gevestigd en kantoor houdende te Wognum,
GEDAAGDE,
procureur mr. J.C. Kuipéri-Botter.

Partijen zullen verder worden genoemd “Eisers” respectievelijk “DSB”. Eisers zullen ieder afzonderlijk ook “Eiser sub 1” en “Eiser sub 2” worden genoemd.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Bij tussenvonnis van 5 september 2007 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door Eisers bij brief van 12 november 2007 en door DSB bij brief van 3 januari 2008 nog aanvullende stukken ingediend. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2 Ten slotte is vonnis gevraagd.

2. DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

2.1 De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 5 september 2007 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. De rechtbank volhardt daarbij. Naast de in het tussenvonnis opgenomen vaststaande feiten staat thans het volgende vast:
– Eisers heeft gedurende de looptijd van de overeenkomst een bedrag van in totaal euro 6.763,12 aan maandtermijnen voldaan;
– Op 15 november 2004 bedroeg de verkoopopbrengst van de effecten euro 4.751,99 en de restant-hoofdsom euro 12.251,99.

2.2 DSB heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen (nogmaals) naar voren gebracht dat zij naar haar mening wel degelijk aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. De beslissingen in het tussenvonnis zijn echter definitief, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven en zijn daarmee eindbeslissingen waaraan de rechtbank is gebonden. Weliswaar kunnen omstandigheden van uitzonderlijke aard afwijking van de regel van gebondenheid wettigen, maar dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

2.3 DSB heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen tevens een nieuw verweer gevoerd. Eisers heeft, zo voert DSB aan, niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek in de prestatie heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken terzake bij DSBgeprotesteerd. Nu Eisers dat niet heeft gedaan, zijn zijn rechten ex artikel 6:89 BW komen te vervallen, aldus DSB. Eisers stelt hier tegenover dat hij niet eerder kon klagen dan hij heeft gedaan omdat hij niet eerder wist (en ook niet eerder kon weten) dat de meest kenmerkende prestatie (de goede afloop na vijf jaar) uitbleef. DSB heeft deze stelling niet, althans niet voldoende gemotiveerd, bestreden. Het dient er daarom voor te worden gehouden dat Eisers tijdig heeft geklaagd. Het hier aan de orde zijnde verweer wordt dan ook verworpen.

2.4 Zoals nader is toegelicht in het tussenvonnis onderscheidt de rechtbank voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen een aantal categorieën van afnemers. Vast staat dat Eiser sub 1 en Eiser sub 2 ten tijde van het aangaan van de overeenkomst respectievelijk 49 en 39 jaar waren. De hoogst door Eiser sub 1 genoten opleiding is de Middelbare Tuinbouwschool. Eiser sub 2 heeft de middelbare beroepsopleiding voor verpleegkunde afgerond. Eiser sub 1 oefende op de bloemenveiling te Aalsmeer de functie boxmedewerker uit en Eiser sub 2 was secretaresse. Ter gelegenheid van de comparitie heeft (mr. Meijer namens) Eisers als netto maandinkomen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst eerst een bedrag van euro 3.500,= en vervolgens een bedrag van fl. 3.500,= genoemd. Daarna heeft mr. Meijer verklaard dat hij aan de hand van de in het geding gebrachte belastingaangifte komt tot een inkomen, destijds, van euro 2.000,= netto per maand. De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij reeds in een bijlage bij het tussenvonnis heeft verzocht om een opgave van het netto-inkomen per maand en per jaar zoals geldend ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst. De rechtbank stelt vast dat door of namens Eisers op deze vraag geen eenduidig antwoord is gegeven. De rechtbank zal in deze dan ook uitgaan van het door DSB bij conclusie van antwoord gestelde netto-maandinkomen van fl. 5.800,= nu dit bij conclusie van repliek door Eisers niet is weersproken. Eisers beschikte ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet over enig vermogen. Op basis van deze omstandigheden is op Eisers in beginsel categorie 3 van toepassing.

2.5 Vervolgens zal moeten worden beoordeeld welk percentage van het in aanmerking te nemen nadeel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening komt van Eisers. Eisers heeft verklaard dat hij vanaf 1980 tot aan het jaar 2000 grote schulden heeft gehad die voortkwamen uit zijn kwekerij. De kwekerij is in 1995 verkocht. Met een in januari 2000 ontvangen erfenis zijn alle schulden afgelost. In februari 2000 heeft Eisers zich tot Frisia gewend voor het afsluiten van een persoonlijke lening. Frisia heeft Eisers vervolgens een “Spaarkrediet” aangeboden. Eisers heeft onweersproken verklaard, dat hij daar niet voor heeft gekozen, omdat hij dan tot na zijn 70ste jaar zou hebben moeten afbetalen en hij juist eerder van zijn schulden af wilde zijn. Vervolgens heeft Frisia, naast het netto-krediet, het product “Hollands Welvaren Select” aangeboden. Het aangaan van de overeenkomst waarbij, naast het netto-krediet, nog een bedrag van euro 12.252,07 (fl. 27.000,=) wordt geleend met de mogelijkheid van het ontstaan van een restschuld na vijf jaar, waarvoor DSB onvoldoende heeft gewaarschuwd, verdraagt zich echter niet met het vaststaande gegeven, dat Eisers juist niet gedurende een lange tijd in een schuldenpositie wilde verkeren. Deze extra bezwarende omstandigheid rechtvaardigt de toepassing van een percentage dat gelegen is tussen enerzijds de percentages behorende bij de categorie welke volgens het categoriemodel van toepassing is op Eisers, en anderzijds de percentages behorende bij de categorie daaronder. Daarmee rekening houdend dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 50% van het nadeel voor rekening van DSB te komen en het resterend percentage voor rekening van Eisers.

2.6 De berekening van het nadeel komt in het onderhavige geval neer op een bedrag van euro 7.351,20 aan in totaal verschuldigde maandtermijnen te vermeerderen met de restant hoofdsom, zijnde euro 12.251,99 en te verminderen met de opbrengst van de effecten, zijnde euro 4.751,99. Het totale nadeel uit de overeenkomst bedraagt derhalve euro 14.851,20. Hiervan dient, gelet op het in 2.5 genoemde percentage, een bedrag van euro 7.425,60 voor rekening van Eisers te blijven.

2.7 Door Eisers is in het kader van de overeenkomst een bedrag van euro 6.763,12 betaald, zodat hij per saldo geen vordering op DSB heeft. De rechtbank merkt hierbij volledigheidshalve op dat Eisers aldus weliswaar de door hem betaalde termijnen niet terugkrijgt, maar evenmin (het verreweg grootste deel van) de “restant geldlening” zal hoeven voldoen aan DSB.

2.8 Uit het voorgaande volgt dat (een deel van) de primaire vordering toewijsbaar is.
In beginsel komt de rechtbank daarom niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiair en meer subsidiair ingestelde vorderingen. Ten aanzien van die vorderingen overweegt de rechtbank echter ten overvloede nog het volgende.

2.9 Eisers heeft zich subsidiair beroepen op dwaling. Dit beroep faalt. Uit de inhoud van de overeenkomst en de bijbehorende Bepalingen Overeenkomst Hollands Welvaren Select had Eisers kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De overeenkomst geeft bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale hoogte van het geleende bedrag is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van Eisers enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover Eisers onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van die overeenkomst wegens dwaling leiden.

2.10 Eisers heeft zich subsidiair voorts beroepen op misbruik van omstandigheden. Ook dit beroep faalt. Artikel 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Eisers heeft – mede in het licht van het gemotiveerde verweer vanDSB – onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat in het onderhavige geval aan al deze door de wet gestelde voorwaarden is voldaan.

2.11 Eisers heeft zich meer subsidiair beroepen op toepassing van artikel 3:54 BW en artikel 6:248 BW.
Het beroep op artikel 3:54 BW faalt, reeds omdat – zoals hiervoor onder 2.9 is overwogen en beslist – vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden in het onderhavige geval niet aan de orde is.
De gevolgen van toepassing van de in artikel 6:248 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn reeds verdisconteerd in de beoordeling van de (gevolgen van de) schending van de zorgplicht.

2.12 De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en ter instructie van de zaak.

2.13 DSB zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3. DE BESLISSING

De rechtbank:

verklaart voor recht dat DSB jegens Eisers haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien aansprakelijk is voor de dientengevolge door Eisers geleden schade;

veroordeelt DSB in de kosten van het geding, tot aan dit vonnis aan de zijde van Eisers begroot op euro 417,74 aan verschotten en op euro 2.260,00 aan salaris van de procureur;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mrs. L.J. Saarloos, A.H.E. van der Pol en J.S. Reid en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.