LJN: BC5909, Rechtbank Alkmaar , 85454

vonnis
RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht
Zaak- en rolnummer: 85454/HA ZA 06-74
datum: 27 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[EISER SUB 1] en [EISER SUB 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS bij dagvaarding van 5 januari 2006,
procureur mr. A.J. van der Veen,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen:

de naamloze vennootschap DSB BANK N.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Wognum,
GEDAAGDE,
procureur mr. J.C. Kuipéri-Botter.

Partijen zullen verder worden genoemd “Eisers ” respectievelijk “DSB “. Eisers zullen ieder afzonderlijk ook “Eiser sub 1 ” en “Eiser sub 2 ” worden genoemd.

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Bij tussenvonnis van 5 september 2007 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door Eisers bij brief van 12 november 2007 en door DSB bij brief van 20 december 2007 nog aanvullende stukken ingediend. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2 Ten slotte is vonnis gevraagd.

2. DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

2.1 De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen bij het tussenvonnis van 5 september 2007 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. De rechtbank volhardt daarbij.

2.2 Naast de in het tussenvonnis opgenomen vaststaande feiten staat thans het volgende vast:

a. Eisers heeft gedurende de looptijd van de overeenkomst tot 1 januari 2005 in totaal euro 11.401,65 aan maandtermijnen voldaan.

De rechtbank komt tot dit bedrag aan de hand van de door Administratiekantoor [] opgestelde jaaroverzichten die Eisers ter gelegenheid van de comparitie van partijen in het geding heeft gebracht (2000: euro 1.808,=; 2001: euro 2.412,12; 2002: euro 2.413,30; 2003: euro 2.385,70; 2004: euro 2.382,53).
De rechtbank merkt in dit verband voorts het volgende op. Beide partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen een door Administratiekantoor [] opgestelde eindafrekening, gedateerd 26 januari 2005, in het geding gebracht. De rechtbank leidt uit die eindafrekening af dat de maandtermijn van januari 2005, net als de “restant geldlening ” (het saldo van de hierna te noemen restant hoofdsom en de verkoopopbrengst van de effecten), is omgezet in een schuld uit hoofde van de overeenkomst van doorlopend krediet. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de in het tussenvonnis, onder 1.k en 1.l, vastgestelde feiten.

b. De maandtermijnen bedroegen, anders dan in de overeenkomst (en in het tussenvonnis, onder 1.d) is vermeld, fl. 442,70 ( euro 200,89). Dit blijkt uit de door Administratiekantoor [] opgestelde jaaroverzichten.

c. Op 3 januari 2005 bedroeg de verkoopopbrengst van de effecten euro 7.786,80 en de restant-hoofdsom euro 19.838,91. Dit blijkt uit de door Administratiekantoor [] opgestelde eindafrekening.

2.3 DSB heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen (nogmaals) naar voren gebracht dat zij naar haar mening wel degelijk aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. De beslissingen dienaangaande in het tussenvonnis zijn echter definitief, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven en zijn daarmee eindbeslissingen waaraan de rechtbank is gebonden. Weliswaar kunnen omstandigheden van uitzonderlijke aard afwijking van de regel van gebondenheid wettigen, maar dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

2.4 DSB heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen tevens een nieuw verweer gevoerd. Eisers heeft, zo voert DSB aan, niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek in de prestatie heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken terzake bij DSBgeprotesteerd. Nu Eisers dat niet heeft gedaan, zijn zijn rechten ex artikel 6:89 BW komen te vervallen, aldus DSB. Eisers stelt hiertegenover dat hij niet eerder kon klagen dan hij heeft gedaan omdat hij niet eerder wist (en ook niet eerder kon weten) dat de meest kenmerkende prestatie (de goede afloop na vijf jaar) uitbleef. DSB heeft deze stelling niet, althans niet voldoende gemotiveerd, bestreden. Het dient er daarom voor te worden gehouden dat Eisers tijdig heeft geklaagd. Het hier aan de orde zijnde verweer wordt dan ook verworpen.

2.5 Zoals nader is toegelicht in het tussenvonnis onderscheidt de rechtbank voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen een aantal categorieën van afnemers. Vast staat dat Eiser sub 1 en Eiser sub 2 ten tijde van het aangaan van de overeenkomst respectievelijk 63 en 64 jaar waren. De hoogste door Eiser sub 1 genoten opleiding is de kweekschool. Eiser sub 2 heeft in Duitsland de Volksschule en drie jaar Berufsschule doorlopen. Eiser sub 1 is leraar aan de Huishoudschool geweest. Eisers had geen beleggingservaring en beschikte niet over enig vermogen. Eisers had op dat moment een netto-jaarinkomen van fl. 50.129,64 ( euro 22.747,84). Het maandelijkse netto-inkomen bedroeg fl. 3.940,20 ( euro 1.787,98). Op basis van deze omstandigheden is op Eisers in beginsel categorie 3 van toepassing.

2.6 Vervolgens zal moeten worden beoordeeld welk percentage van het in aanmerking te nemen nadeel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening komt van Eisers. Eisers heeft onweersproken verklaard dat hij destijds, mede gezien zijn leeftijd, wenste te komen tot een sanering van zijn schulden en dat hij dat aan DSB kenbaar heeft gemaakt. Op dat moment bedroegen die schulden in totaal fl. 45.735,=. Het aangaan van de overeenkomst, waarbij opnieuw een bedrag van fl. 44.270,= wordt geleend met de mogelijkheid van het ontstaan van een restschuld na vijf jaar waarvoor DSB onvoldoende heeft gewaarschuwd, verdraagt zich daar niet mee. Deze extra bezwarende omstandigheid rechtvaardigt de toepassing van een percentage dat gelegen is tussen enerzijds de percentages behorende bij de categorie welke volgens het categoriemodel van toepassing is op Eisers en anderzijds de percentages behorende bij de categorie daaronder. Daarmee rekening houdend dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 50% van het nadeel voor rekening van DSB te komen en het resterend percentage voor rekening van Eisers.

2.7 De berekening van het nadeel komt in het onderhavige geval neer op een bedrag van euro 12.053,40 (60 x euro 200,89) aan in totaal verschuldigde maandtermijnen, te vermeerderen met de restant hoofdsom, zijnde euro 19.838,91, en te verminderen met de opbrengst van de effecten, zijnde euro 7.786,80. Het totale nadeel uit de overeenkomst bedraagt derhalve euro 24.105,51. Hiervan dient, gelet op het in 2.6 genoemde percentage, een bedrag van euro 12.052,76 voor rekening van Eisers te blijven. Door Eisers is in het kader van de overeenkomst een bedrag van euro 11.401,65 betaald, zodat hij per saldo geen vordering op DSB heeft.

De rechtbank merkt hierbij volledigheidshalve op dat Eisers op deze manier weliswaar de door hem betaalde termijnen niet terugkrijgt, maar ook niet (het verreweg grootste deel van) de ” restant geldlening ” zal hoeven voldoen aan DSB.

De rechtbank merkt volledigheidshalve verder op dat de overeenkomst van doorlopend krediet en de ter zake daarvan betaalde bedragen, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.23 van het tussenvonnis, in de onderhavige procedure geen geschilpunt (meer) is.

2.8 Uit het voorgaande volgt dat (een deel van) de primaire vordering toewijsbaar is.
In beginsel komt de rechtbank daarom niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiair en meer subsidiair ingestelde vorderingen. Ten aanzien van die vorderingen overweegt de rechtbank echter ten overvloede nog het volgende.

2.9 Eisers heeft zich subsidiair beroepen op dwaling. Dit beroep faalt. Uit de inhoud van de overeenkomst en de bijbehorende Bepalingen Overeenkomst Hollands Welvaren Select had Eisers kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De overeenkomst geeft bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale hoogte van het geleende bedrag is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van Eisers enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover Eisers onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van die overeenkomst wegens dwaling leiden.

2.10 Eisers heeft zich subsidiair voorts beroepen op misbruik van omstandigheden. Ook dit beroep faalt. Artikel 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Eisers hebben – mede in het licht van het gemotiveerde verweer vanDSB – onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat in het onderhavige geval aan al deze door de wet gestelde voorwaarden is voldaan.

2.11 Eisers heeft zich meer subsidiair beroepen op toepassing van artikel 3:54 BW en artikel 6:248 BW.
Het beroep op artikel 3:54 BW faalt, reeds omdat – zoals hiervoor onder 2.9 is overwogen en beslist – vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden in het onderhavige geval niet aan de orde is.
De gevolgen van toepassing van de in artikel 6:248 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn reeds verdisconteerd in de beoordeling van de (gevolgen van de) schending van de zorgplicht.

2.12 De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en ter instructie van de zaak.

2.13 DSB zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3. DE BESLISSING

De rechtbank:

verklaart voor recht dat DSB jegens Eisers haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien aansprakelijk is voor de dientengevolge door Eisers geleden schade;

verwijst DSB in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Eisers begroot op euro 2.677,74, en veroordeelt DSB om te voldoen:

aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.736 ten name van MvJ Arrondissement Alkmaar onder vermelding van “proceskostenveroordeling 85454/HA ZA 06-74 “:
euro   187,=     voor in debet gesteld griffierecht;
euro   169,74     voor exploitkosten;
euro  2.260,=    voor salaris van de procureur;
Derhalve in totaal euro 2.616,74, met welk bedrag zal dienen te worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

en aan Eisers:
euro   61,-       voor niet in debet gesteld griffierecht.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mrs. L.J. Saarloos, A.H.E. van der Pol en J.S. Reid en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.