LJN: BM6736, Gerechtshof Amsterdam , 200.015.091/01

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[R],
wonende te [X], gemeente [Y],
APPELLANTE,
advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
GEĂŹNTIMEERDE,
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [R] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 6 juni 2008 is [R] in hoger beroep gekomen van twee vonnissen van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna “de kantonrechter”, van 27 juni 2007 en 14 mei 2008, in deze zaak onder rolnummer 816637 DX EXPL 06-2998 gewezen tussen haar als eiseres en Dexia als gedaagde.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:
– de memorie van grieven van [R];
– de memorie van antwoord van Dexia;
telkens met conclusie zoals daarin vermeld en met bijbehorende producties indien en voor zover deze daarbij zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[R] heeft Ă©Ă©n grief voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 27 juni 2007 onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. Het hof begrijpt dat [R] door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) heeft laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst – de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden wil zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de zojuist bedoelde overeenkomst ten aanzien van [R] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst haar niet bindt.

4.2 [P], hierna “[P]”, is in juli 1997 en in april 2000 (in totaal) twee overeenkomsten tot effectenlease aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als “Dexia”. Op grond van deze overeenkomsten, hierna “de lease-overeenkomsten”, heeft hij geldbedragen van Dexia geleend, waarmee effecten zijn aangekocht die [P] van Dexia heeft geleast. Over de geleende bedragen was [P], naar in de lease-overeenkomsten is vermeld, rente verschuldigd. Veranderingen in de waarde van de geleaste effecten kwamen voor zijn rekening. De lease-overeenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd en na afloop van hun oorspronkelijke looptijd verlengd, eveneens voor bepaalde tijd. [P] heeft ter voldoening aan zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomsten daarin genoemde bedragen aan Dexiabetaald.

4.3 Bij brief van 5 november 2004 heeft [R] de lease-overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd. [R] heeft hiertoe aangevoerd, kort gezegd, dat zij op het tijdstip van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten de echtgenote was van [P], dat deze krachtens het bepaalde in artikel 1:88 BW voor het aangaan van de overeenkomsten haar toestemming behoefde – omdat de lease-overeenkomsten een overeenkomst van koop op afbetaling inhouden – en dat die toestemming ontbreekt. De lease-overeenkomsten zijn niet mede-ondertekend door [R] en zij heeft evenmin anderszins schriftelijk aan [P] haar toestemming voor het aangaan van de overeenkomsten gegeven. [R] heeft Dexia voorts aangesproken tot terugbetaling van de bedragen die [P] op de voet van de lease-overeenkomsten aan Dexiaheeft betaald. Dexia heeft de vernietigingen niet aanvaard en geen bedragen terugbetaald.

4.4 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten heeft [R] – naar het hof begrijpt op de grondslag van artikel 1:89, vijfde lid, BW – een vordering ingesteld tegen Dexia. De vordering strekt, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, tot verklaring voor recht dat de lease-overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en veroordeling van Dexia tot terugbetaling van hetgeen [P] ter voldoening aan de overeenkomsten heeft betaald, met rente. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, omdat de bevoegdheid van [R] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens het ontbreken van haar toestemming reeds was verjaard toen [R] die bevoegdheid uitoefende. Tegen dit oordeel en de daartoe leidende overwegingen richt zich het hoger beroep.

4.5 Met haar enige grief betoogt [R] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bevoegdheid tot vernietiging van de lease-overeenkomsten was verjaard toen zij deze uitoefende, zodat de onder 4.3 genoemde brief niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad en [R] geen recht heeft op terugbetaling van op de voet van de lease-overeenkomsten door [P] aan Dexia betaalde bedragen. De grief kan niet slagen. Hiertoe is het volgende bepalend.

4.6 De bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, zoals de lease-overeenkomsten, wegens het ontbreken van die toestemming, verjaart door verloop van drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan (naar volgt uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW). Voor het ten dienste komen te staan van de bevoegdheid tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de verjaringstermijn, is bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Na de voltooiing van de verjaringstermijn kan die echtgenoot de overeenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Het komt er dus op aan wanneer [R] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomsten die zij heeft bedoeld te vernietigen.

4.7 De partij die een beroep doet op de verjaring van een bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst, ten aanzien waarvan de wederpartij voldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat een vernietigingsgrond is ingeroepen, dient feiten te stellen – en, bij voldoende betwisting, te bewijzen – waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen. Het gaat daarbij, bij een verjaringstermijn zoals thans aan de orde, om feiten waaruit volgt dat de wederpartij met de overeenkomst bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. De kantonrechter heeft overwogen, in hoger beroep onbestreden, dat Dexiahiertoe heeft aangevoerd – onder meer en naar [R] niet heeft weersproken – dat de bedragen die [P] op grond van de lease-overeenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf een gezamenlijke rekening van [P] en [R] die op naam van beiden was gesteld (een zogeheten “en/of”-rekening). Het bestaan van de lease-overeenkomsten was daardoor kenbaar uit bankafschriften van de betrokken rekening, die mede aan [R] waren gericht. Deze feiten wettigen de gevolgtrekking dat [R] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop een betaling ter zake van de desbetreffende lease-overeenkomst is vermeld, met het bestaan van die overeenkomst bekend was. Gelet op de data waarop de eerste betalingen aan Dexia op grond van de lease-overeenkomsten hebben plaatsgevonden, was dit in of omstreeks juli 1997 respectievelijk april 2000, dus ten aanzien van beide overeenkomsten meer dan drie jaar voordat [R] heeft gepoogd de overeenkomsten te vernietigen.

4.8 In haar toelichting op de grief heeft [R] het bovenstaande vrijwel uitsluitend getracht te weerleggen met de stelling dat zij geen kennis heeft genomen van de betrokken bankafschriften en evenmin van andere bescheiden betreffende de rekening waarop die betrekking hadden, dat [R] zich in het door [R] en [P] gevoerde huishouden niet met de financiële zaken bemoeide – naar het hof begrijpt uit de verwijzing naar de bij de memorie van grieven overgelegde productie – en dat [R] pas in december 2002 bekend is geworden met het bestaan van de lease-overeenkomsten. Dit zou meebrengen dat de bevoegdheid van [R] tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens het ontbreken van haar toestemming, op het tijdstip van de onder 4.3 genoemde brief nog niet was verjaard. Dat [R] vanaf de totstandkoming van de lease-overeenkomsten in juli 1997 respectievelijk april 2000 tot december 2002 geen kennis heeft genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening van [P] en haarzelf waarop betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten zijn vermeld, is, nu die rekening op beider naam was gesteld en die afschriften mede aan [R] waren gericht, evenwel dusdanig weinig geloofwaardig dat [R] hiermee onvoldoende heeft betwist dat zij door het oudste van de betrokken bankafschriften met het bestaan van de desbetreffende lease-overeenkomst bekend is geworden.

4.9 Dit wordt niet anders door de stelling van [R] dat zij zich in het huishouden van [P] en haarzelf niet met de financiële zaken bemoeide, omdat deze stelling, ook indien juist, onverlet laat dat bankafschriften waarop betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten zijn vermeld, mede aan [R] waren gericht en dat weinig geloofwaardig is dat zij hiervan geen kennis heeft genomen. Het had daarom, ter onderbouwing van haar betwisting van de gestelde bekendheid, op de weg van [R] gelegen concrete nadere omstandigheden aan te wijzen waaruit kan volgen dat zij, in weerwil van het voorgaande, niet met het bestaan van de lease-overeenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Dit heeft [R] nagelaten, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat zij daarmee toen al wel bekend was en, dus, dat haar bevoegdheid tot vernietiging was verjaard toen zij deze bedoelde uit te oefenen door de onder 4.3 genoemde brief. Voor bewijslevering zoals door [R] aangeboden is dan geen plaats meer.

4.10 Hetgeen partijen in dit hoger beroep verder nog hebben aangevoerd, kan niet leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven en behoeft derhalve, bij gebrek aan belang, geen bespreking. Evenmin zijn door een partij – voldoende concrete – feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, tot andere oordelen zouden leiden. Voor zover een partij bewijs heeft aangeboden, komt aan haar desbetreffende aanbod daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld, zodat het vonnis waarvan beroep, bij gebreke van een grond voor vernietiging, moet worden bekrachtigd.
[R] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [R] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op € 254,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.S. Arnold en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 april 2010 door de rolraadsheer.