LJN: BN2921, Rechtbank Utrecht , 263332 / HA ZA 09-540

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
263332 / HA ZA 09-54028 juli 2010
Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 263332 / HA ZA 09-540

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

1. [eiser],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres],
wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. M.J. Meijer,

tegen

de naamloze vennootschap
AEGON BANK N.V.,
handelende onder de naam Spaarbeleg,
gevestigd te Nieuwegein,
gedaagde,
advocaat mr. J.M. van Noort.

Eisers zullen hierna respectievelijk [eiser] en [eiseres] en gezamenlijk [eisers] genoemd worden. Gedaagde zal hierna Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het tussenvonnis van 29 april 2009
• het proces-verbaal van comparitie van 25 september 2009 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. In verband met het wijzen van vonnis is de zaak verwezen van de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald. Bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst geldt die garantie niet. In dat geval kan er een restschuld ontstaan als de verkoopopbrengst van de aandelen lager is dan het geleende bedrag.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de door Spaarbeleg aangeboden aandelenleaseovereenkomsten in de afgelopen jaren reeds diverse vonnissen gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg op 22 december 2004 (NJF 2005/60), 4 januari 2006 (NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal.

2.3. Na de hierboven genoemde vonnissen zijn door de Hoge Raad en door het gerechtshof Amsterdam verschillende arresten uitgesproken in zaken naar aanleiding van aandelenleaseovereenkomsten, waarin voor een groot deel dezelfde kwesties aan de orde zijn geweest als in het huidige geding. Het betreft de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (LJN BH2811, LJN BH2815 en LJN BH2822) en de arresten van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, LJN BK4981, LJN BK4982 en LJN BK4983).

2.4. De rechtbank acht deze vonnissen en arresten die veelal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) www.rechtspraak.nl, inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van de bovengenoemde vonnissen en/of arresten reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen en/of arresten.

3. De feiten

3.1. [eiseres] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier, met op de achterzijde een samenvatting van de algemene voorwaarden, van Spaarbeleg een Certificaat ontvangen. Voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst heeft [eiseres] een brochure ontvangen.

3.2. Het door [eiseres] afgesloten SprintPlan had een looptijd van 1 februari 2000 tot en met 31 januari 2005. [eiseres] heeft ter uitvoering van de overeenkomst 60 maandtermijnen van EUR 113,45 (NLG 250,00) aan Spaarbeleg voldaan, derhalve in totaal een bedrag van (afgerond) EUR 6.807,00.

3.3. De overeenkomst is op 31 januari 2005 geëindigd. Na afloop van de overeenkomst heeft [eiseres] geen uitkering van Spaarbeleg ontvangen.

4. Het geschil

4.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
•bepaalt dat Spaarbeleg jegens [eisers] toerekenbaar tekort is geschoten, haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en dat Spaarbeleg jegens [eisers] aansprakelijk is voor de hierdoor opgetreden schade;
– de overeenkomst ontbindt; en
– bepaalt dat Spaarbeleg aansprakelijk is voor en deswege gehouden is tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden uit hoofde van de verplichting tot ongedaanmaking van de door haar van [eisers] ontvangen prestatie.
•primair bepaalt dat de hiervoor bedoelde schade bestaat uit hetgeen door [eisers] tot en met heden aan Spaarbeleg is betaald, dan wel een ander bedrag door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente per datum van het instellen dezer eis tot de dag der algehele voldoening en Spaarbeleg hierbij te veroordelen aan [eisers] dit bedrag te betalen;
•subsidiair bepaalt dat de overeenkomst wordt vernietigd of nietig verklaard wegens dwaling en/of misbruik van omstandigheden, althans dat deze wordt ontbonden, een en ander met de veroordeling van Spaarbeleg tot terugbetaling aan [eisers] van datgene wat aan Spaarbeleg n.a.v. de overeenkomst betaald is, te vermeerderen met de wettelijke rente per datum afboeking, tot de dag der algehele voldoening hiervan.
– Spaarbeleg veroordeelt aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 250,00, te vermeerderen met BTW, aan buitengerechtelijke kosten en Aegon veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Spaarbeleg heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat alleen [eiseres] bij deze overeenkomst partij is. Aangezien [eiser] geen partij bij de overeenkomst is, moet, aldus Spaarbeleg, [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

5.2. Hiervoor geldt dat [eisers] in het geheel niet heeft gereageerd op deze stelling van Spaarbeleg. Nu niet is betwist dat enkel [eiseres] partij is bij de overeenkomst, zal de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen.

Dwaling

5.3. De rechtbank is van oordeel in overeenstemming met de hiervoor in 2.3 genoemde arresten van de Hoge Raad dat van [eiseres] als contractspartij verwacht mag worden dat zij de tekst van de overeenkomst met de nodige aandacht en oplettendheid leest, zich rekenschap geeft van de inhoud daarvan en bij onduidelijkheid hierover nadere vragen stelt, alvorens de overeenkomst te ondertekenen. In de samenvatting van de Algemene Voorwaarden op de achterzijde van het inschrijfformulier staat met zoveel woorden vermeld dat het door de deelnemer betaalde maandbedrag rente is over de aankoopsom van de voor hem of haar gekochte (fracties van) participaties en dat de aankoopsom wordt gefinancierd door Spaarbeleg. Ook staat vermeld dat na afloop van een SprintPlan-contract een eindafrekening plaatsvindt en dat Spaarbeleg aan de deelnemer alsdan betaalt het bedrag dat na de einddatum wordt uitgekeerd op de alsdan voor de deelnemer gehouden (fracties van) participaties, verminderd met de voor het SprintPlan-contract geldende aankoopsom en verder verminderd met al hetgeen de deelnemer alsdan uit hoofde van het SprintPlan-contract aan Spaarbeleg verschuldigd mocht zijn. Hieruit is eveneens af te leiden dat het SprintPlan geen spaarproduct was, dat er sprake was van een lening en dat de inleg verloren zou kunnen gaan.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres] de samenvatting van de Algemene Voorwaarden heeft kunnen lezen voordat zij de overeenkomst afsloot, terwijl niet is gebleken dat zij voor ondertekening van de overeenkomst nadere vragen heeft gesteld. Uit het voorgaande volgt dat voor zover [eiseres] heeft gedwaald ten aanzien van de aard, inhoud en risico’s van de overeenkomsten, zij deze dwaling aan zichzelf te wijten heeft en dat deze daarom voor haar rekening dient te blijven. Het beroep op dwaling wordt derhalve verworpen.

Misbruik van omstandigheden

5.4. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden. Aan deze stelling heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat de overeenkomst niet had mogen worden gesloten, omdat zij niet beschikte over de benodigde kennis en ervaring op het gebied van beleggingen.

5.5. Het beroep op misbruik van omstandigheden is door [eiseres] niet (voldoende) concreet onderbouwd. Artikel 3:44 lid 4 BW vereist dat Spaarbeleg wist of had moeten begrijpen dat [eiseres] tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen door onervarenheid. Uit hetgeen door [eiseres] is gesteld, kan niet worden afgeleid dat [eiseres] contact heeft gehad met Spaarbeleg vóór of bij de contractsluiting en voorts niet dat Spaarbeleg anderszins wist of moest begrijpen dat [eiseres] tot het sluiten van de overeenkomst werd bewogen door onervarenheid. Het enkele feit dat Spaarbeleg zich heeft gericht op een breed, derhalve ook gedeeltelijk onervaren publiek en gebruik heeft gemaakt van tussenpersonen, is onvoldoende om misbruik van omstandigheden aan te nemen. [eiseres] komt derhalve geen beroep toe op vernietiging van de overeenkomst op deze grond.
Hetzelfde geldt voor het beroep op misbruik van gezag/bevoegdheid.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.6. [eiseres] heeft haar vordering tot ontbinding van de overeenkomst gegrond op de stelling dat Spaarbeleg tekortgeschoten is in haar pre-contractuele verplichtingen. Volgens vaste jurisprudentie levert een tekortkoming in dergelijke verplichtingen geen toerekenbare tekortkoming op in de zin van artikel 6:74 BW, maar een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Nu ontbinding ingevolge artikel 6:265 BW alleen mogelijk is bij toerekenbare tekortkomingen in de zin van artikel 6:74 BW, is de vordering van [eiseres] strekkende tot ontbinding niet toewijsbaar.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.7. [eiseres] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door haar niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer in het bijzonder het risico dat zij na ommekomst van de overeenkomst haar volledige inleg kwijt zou zijn) die zij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt zij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiseres] en naar haar beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiseres] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiseres].

5.8. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat de tekst van de overeenkomst en de bijbehorende documenten duidelijk is en voldoende inzicht geeft in de overeenkomst en de risico’s. Voorts heeft Spaarbeleg aangevoerd dat uit de overeenkomst geen restschuld kan voortvloeien en dat daarom op haar geen verdergaande taak of informatieplicht rust. Tot slot heeft Spaarbeleg aangevoerd dat uit de inkomens- en vermogenspositie van [eiseres] blijkt dat zij zonder problemen aan de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst kon voldoen.

Algemeen

5.9. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juni 2009 (LJN BH2822) heeft geoordeeld dat – kort gezegd – op Spaarbeleg als professioneel dienstverlener jegens een particuliere afnemer van de effectenleaseovereenkomst een bijzondere zorgplicht rust die ertoe strekt de afnemer te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Deze zorgplicht vloeit voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid en is tweeledig. In de eerste plaats dient Spaarbeleg de afnemer vóór het afsluiten van de overeenkomst uitdrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat een schuld aan Spaarbeleg zou kunnen resteren. Dit risico wordt niet opgeheven door de door Spaarbeleg gegeven garantie dat de waarde van de aandelen minimaal gelijk is aan dan het geleende bedrag, omdat deze garantie alleen geldt bij beëindiging van de SprintPlanovereenkomst op de overeengekomen einddatum. In de tweede plaats dient Spaarbeleg, alvorens de overeenkomst aan te gaan, inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen zal kunnen dragen, ook bij een ontoereikende opbrengst van de effecten bij tussentijdse beëindiging. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de financiële positie van afnemer daartoe niet voldoende is, dient Spaarbeleg de afnemer het aangaan van de overeenkomst te ontraden.

Waarschuwingsplicht

5.10. Spaarbeleg is in de waarschuwingsplicht voor het restschuldrisico bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst tekortgeschoten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van
5 juni 2009 (LJN BH2822) geoordeeld dat een waarschuwing in meer of minder algemene bewoordingen voor risico’s verbonden aan het beleggen in effecten niet als een uitdrukkelijke en niet mis te verstane waarschuwing voor de mogelijkheid van een restschuld kan worden aangemerkt, reeds omdat zij die mogelijkheid niet specifiek noemt. Dergelijke, overwegend algemeen geformuleerde waarschuwingen miskennen dat juist de bescherming van particuliere beleggers tegen eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht vereist dat zodanige beleggers uitdrukkelijk en ondubbelzinnig op het risico van een restschuld opmerkzaam worden gemaakt. Kortom, de noodzakelijke specifieke waarschuwing heeft Spaarbeleg achterwege gelaten.

Onderzoeksplicht

5.11. Spaarbeleg is eveneens tekortgeschoten in de in 5.9 genoemde onderzoeksplicht. Niet is gesteld of gebleken dat is geïnformeerd naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiseres]. Een adequaat beeld van de financiële draagkracht van [eiseres] is niet verkregen. Derhalve heeft Spaarbeleg niet kunnen beoordelen of [eiseres] in staat is om de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen te kunnen dragen.

5.12. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat Spaarbeleg haar zorgplicht heeft verzaakt. Hetgeen door [eiseres] overigens is aangevoerd ten aanzien van de gestelde schending van de zorgplicht behoeft, gelet op het voorgaande, geen verdere bespreking. De schending van de zorgplicht wordt – zoals hiervoor in overweging 5.6 weergegeven – gekwalificeerd als een onrechtmatige daad. De hierop gebaseerde gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

Causaal verband

5.13. De waarschuwingsplicht strekt ertoe te voorkomen dat de afnemer lichtvaardig of met ontoereikend inzicht een effectenleaseovereenkomst sluit. Deze verplichting heeft zelfstandige betekenis, ongeacht het antwoord op de vraag of de onderzoeksplicht is nageleefd. Vaststaat dat Spaarbeleg de waarschuwingsplicht heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat [eiseres] de overeenkomst niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg haar in niet in mis te verstane bewoordingen had gewezen op het risico van een restschuld bij tussentijdse beëindiging. Spaarbeleg heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden, zodat een causaal verband wordt aangenomen tussen de schending van de waarschuwingsplicht en het aangaan van de overeenkomsten. Spaarbeleg dient dan ook in beginsel als geleden schade te vergoeden de nadelige financiële gevolgen die voor [eiseres] gemoeid zijn geweest met het aangaan van de overeenkomst. De schade bestaat in dit geval uit de reeds betaalde rente. Een restschuld heeft zich niet gerealiseerd. Deze schade kan voorts aan Spaarbeleg als gevolg van de schending van de waarschuwingsplicht worden toegerekend, nu Spaarbeleg geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Eigen schuld

5.14. Spaarbeleg heeft aangevoerd dat haar vergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW verminderd dient te worden, nu de schade van [eiseres] mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [eiseres] kan worden toegerekend. Zij heeft daartoe gesteld dat [eiseres] de overeenkomsten doelbewust is aangegaan, terwijl zij bekend was met de daaruit voortvloeiende verplichtingen, de kenmerken en risico’s daarvan en met haar eigen financiële positie.

5.15. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 juni 2009 (LJN BH2811 en LJN BH2815) als uitgangspunt genomen dat de schade mede het gevolg is van aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden, nu uit de overeenkomst voldoende kenbaar was dat werd belegd met geleend gelegd, dat de overeenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende geld moest worden terugbetaald. Daarbij valt ook in aanmerking te nemen dat van de afnemer mag worden verwacht dat hij alvorens de overeenkomst aan te gaan, zich redelijke inspanningen getroost om deze begrijpen. Dit betekent dat een deel van de door [eiseres] geleden schade als door haarzelf veroorzaakt voor haar eigen rekening moet blijven. De vergoedingsplicht van Spaarbeleg zal derhalve worden verminderd in evenredigheid met de mate waarin de aan Spaarbeleg en de afnemer toe te rekenen omstandigheden moeten worden geacht te hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze schade, en vervolgens zal moeten worden onderzocht of op grond van de billijkheid een andere verdeling gerechtvaardigd is. Bij de toepassing van de maatstaf van artikel 6:101 BW zullen fouten van de afnemer die uit lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht voortvloeien in beginsel minder zwaar wegen dan fouten aan de zijde van Spaarbeleg waardoor deze in de zorgplicht is tekortgeschoten.

5.16. Bij de hierboven bedoelde afweging wordt de bestedingsruimte van de afnemer ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in aanmerking genomen.

5.17. In gevallen waarin nakoming door Spaarbeleg van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer naar redelijke verwachting toereikend was om de financiële verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen, rustte op Spaarbeleg geen verplichting het aangaan van de overeenkomst aan de afnemer te ontraden. De schade bestaande uit betaalde rente kan dan geheel worden toegeschreven aan de omstandigheid dat, naar de afnemer wist of moest weten, met geleend geld is belegd. De vergoedingsplicht van Spaarbeleg moet derhalve worden verminderd zodanig dat de betaalde rente volledig voor rekening van de afnemer blijft.

5.18. Indien onderzoek door Spaarbeleg daarentegen zou hebben uitgewezen dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer naar redelijke verwachting niet toereikend was om de financiële verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen, had het, in het kader van haar zorgplicht, op de weg van Spaarbeleg gelegen het aangaan van de overeenkomst aan de afnemer te ontraden. In dat geval zal een deel van de betaalde rente voor vergoeding in aanmerking komen. In evenredigheid met de mate waarin de aan Spaarbeleg en de aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden tot het ontstaan van de zojuist bedoelde schade hebben bijgedragen, zal de vergoedingsplicht van Spaarbeleg ter zake de betaalde rente daarom in beginsel – overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (LJN BH2811) – worden verminderd tot 60%.

Onaanvaardbaar zware financiële last

5.19. Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn arresten van 1 december 2009 (LJN BK4978, LJN BK4981, LJN BK4982 en LJN BK4983) een beoordelingskader gegeven ter beantwoording van de vraag in welk geval een deel van de betaalde rente voor rekening van de afnemer blijft. De rechtbank zal, mede ten behoeve van de rechtseenheid, van de door het hof gegeven maatstaf en berekeningswijze uitgaan.

5.20. Het hof heeft in bovengenoemde arresten geoordeeld dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet toereikend was om de financiële verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen, indien onderzoek zou hebben uitgewezen dat naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen een onaanvaardbare zware last op de afnemer legden. Van een dergelijke onaanvaardbare zware financiële last is in de regel sprake indien
de financiële verplichtingen uit de overeenkomst (A) tot gevolg hadden dat het besteedbare netto-maandinkomen (X) van de afnemer (inclusief evenredig deel van de vakantie- en eindejaarsuitkeringen) verminderd met huur- of hypotheeklasten voor de eigen woning (W), voor zover deze het daarvoor door het Nibud gehanteerde basisbedrag overtroffen, zou dalen beneden de voor het desbetreffende type huishouden in het desbetreffende kalenderjaar berekende Nibud-basisnorm (Y) vermeerderd met tien procent en voorts vermeerderd met vijftien procent van het netto-maandinkomen nadat de Nibud-basisnorm op dit laatste in mindering is gebracht. Voorts moeten de financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane effectenleaseovereenkomsten (B) en (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten (C) worden meegewogen, door deze op het besteedbare netto-maandinkomen in mindering te brengen. De formule luidt aldus: X – W – A – B – C < Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X – Y).

5.21. Tevens zal rekening moeten worden gehouden met aanwezig vermogen (V) waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst – geheel of gedeeltelijk – hadden kunnen worden voldaan. Bij het mee te wegen vermogen van de afnemer dienen buiten beschouwing te worden gelaten de (over)waarde van de eigen woning, de waarde van eigendommen die volgens de Wet op de Vermogensbelasting 1964 respectievelijk de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 niet tot het vermogen van de afnemer worden gerekend en (ander) vermogen tot een bedrag van EUR 5.000,00, dan wel tot EUR 10.000,00 als de afnemer met een derde een gezamenlijke huishouding voerde.

5.22. Toepassing van bovengenoemde formule op onderhavige zaak leidt tot de volgende berekening.

X = EUR 3.000,00
W = EUR 338,00 (werkelijke hypotheeklasten EUR 500,00 – basisbedrag Nibud
EUR 162,00)
A = lasten lening EUR 17.016,76: looptijd 60 maanden = EUR 283,61 + rente EUR 113,44
= EUR 397,05
B = EUR 68,07 (Koersplan)
C = nihil
Y = EUR 806,37 (type huishouden: twee volwassenen)

X – W – A – B – C = EUR 2.196,88
Y + 0,1 x Y + 0,15 x (X – Y) = EUR 1.216,05

Uitkomst: EUR 2.472,48 > EUR 1.216,05

5.23. Bij bovenstaande berekening is uitgegaan van het maandinkomen en de hypotheeklasten die ter comparitie zijn vastgesteld alsmede van de financiële verplichtingen die voortvloeiden uit het door [eiseres] afgesloten Koersplan. Bovenstaande berekening leidt tot de conclusie dat de overeenkomst naar redelijke verwachting, nog afgezien van het vermogen waarover [eiseres] volgens eigen opgave beschikte, geen onaanvaardbare zware financiële last op [eiseres] legde. De door [eiseres] betaalde rente komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

Buitengerechtelijke kosten

5.24. [eiseres] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II – worden afgewezen. [eiseres] immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

5.25. [eisers] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.30. De kosten aan de zijde van Spaarbeleg worden begroot op:
– vast recht    EUR   262,00
– salaris advocaat    904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)
Totaal    EUR 1.166,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,

6.2. verklaart voor recht dat Spaarbeleg jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld,

6.3. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Spaarbeleg tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

6.4. verklaart dit tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens, mr. C.A.M. van Straalen-Coumou en
mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.