LJN: BQ8653, Gerechtshof Amsterdam , 200.016.113/01

zaaknummer 200.016.113/01
31 mei 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. M.J. Meijer, te Haarlem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen de naamloze vennootschap
DEXIA BANK NEDERLAND N.V.),
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw, te Amsterdam.

Partijen zullen in dit arrest [appellant] en Dexia worden genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant – hierna [appellant] – is bij dagvaarding van
15 mei 2008 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat door de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder rolnummer 910996/DX EXPL 07-1864 tussen hem als eiser en geïntimeerde – hierna Dexia – als gedaagde is gewezen en dat is uitgesproken op 23 april 2008, met dagvaarding van Dexia voor dit hof.

1.2. [appellant] heeft bij memorie een grief tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, enige producties in het geding gebracht en een bewijsaanbod gedaan, met conclusie als ver-woord in die memorie.

1.3. Dexia heeft bij memorie van antwoord de grief bestreden een (tegen)bewijsaanbod gedaan, met conclusie als in die memorie omschreven.

1.4. Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de hiervoor onder 1.2 vermelde memorie.

3. Waarvan het hof uitgaat

3.1. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep in de eerste rechtsoverweging onder 1.1 tot en met 1.4 een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die vaststelling is niet in geding, zodat ook het hof van die vaststelling zal uitgaan.

3.2. Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1. Op of omstreeks 17 juni 1999 heeft [appellant] met Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere) een lease-overeenkomst gesloten met de naam “WinstVerDriedubbelaar”, hierna te noemen de lease-overeenkomst, waarop hij als lessee stond vermeld. Deze lease-overeenkomst is voor een periode van 36 maanden aangegaan.

3.2.2. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Labouchere. Waar hierna sprake is van Dexia wordt haar rechts-voorgangster daaronder mede begrepen.

3.2.3. Dexia heeft op 17 juni 2002 de eindafrekening opge-steld. Op grond van deze eindafrekening was [appellant]
€ 2.856,96 aan Dexia verschuldigd.

3.2.4. Bij dagvaarding van 4 september 2003 heeft Dexia
[appellant] gedagvaard en betaling gevorderd van voornoemd bedrag, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten.

3.2.5. Op 15 september 2003 heeft [appellant] een bedrag van
€ 2.856,96 voldaan waarna, na vermindering van eis, door de rechtbank ’s-Gravenhage bij vonnis van 4 februari 2004 de door Dexia gevorderde vertragingsrente over de hoofdsom is toege-wezen. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

3.2.6. [appellant] vordert thans in de onderhavige procedure – kort samengevat – primair voor recht te verklaren dat Dexia jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten/haar precontrac-tuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en dat Dexia jegens hem aansprakelijk is voor en deswege gehouden is tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van dit onrechtmatig han-delen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Subsidiair vordert [appellant] – naar het hof begrijpt – de veroordeling van Dexia tot schadevergoeding zoals aan het slot van de memorie van grieven nader omschreven, te vermeerderen met rente, zowel primair als subsidiair met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding.

3.2.7. Dexia heeft de vorderingen bestreden. Primair heeft zij in eerste aanleg aangevoerd – en in hoger beroep herhaald – dat [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat in een eerder vonnis reeds is beslist over de rechtsverhouding tussen partijen.

3.2.8. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter over-woog:
“5. Nu uit de beslissing in het vonnis inzake de vertragingsrente noodzakelijk voortvloeit dat [appellant] de hoofdsom was verschuldigd, hetgeen ook door de kantonrechter is overwogen, moet worden geconcludeerd dat het vonnis betrekking heeft op dezelfde rechtsbetrekking die thans in de onderhavige procedure aan de orde is. Dit betekent dat Dexia terecht een beroep op het gezag van gewijsde doet en dat de vordering zal worden afgewezen.“

3.2.9. In appel bestrijdt [appellant] voornoemde overweging.
[appellant] voert – kort samengevat – aan dat in de eerdere procedure geen oordeel is geveld over de opvorderbaarheid van de in het geding zijnde hoofdsom, nu een bedrag van € 483,14 aan “restschuld” nog steeds niet door Dexia bij [appellant] is opgevorderd. [appellant] stelt verder dat in 1999 voor Dexia (Labouchere) ten opzichte van hem de verplichting bestond het aangaan van de lease-overeenkomst te ontraden. [appellant] biedt in dit verband bewijs aan.

3.2.10. Dexia heeft dit gemotiveerd bestreden.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1. Naar uit het – tussen partijen gewezen en in kracht van gewijsde gegane – vonnis van 4 februari 2004 blijkt erkende
[appellant] destijds de verschuldigdheid van de gevorderde en door hem betaalde hoofdsom. Dit impliceert dat [appellant] ook de grondslag waaruit deze betalingsverplichting voortvloeide, de tussen hem en Labouchere bestaande rechtsbetrekking, er-kende. Geoordeeld wordt dat deze rechtsbetrekking niet alleen de contractuele maar ook de precontractuele fase omsluit/
omvat, aangezien de bijzondere zorgplicht waar [appellant] een beroep op doet rechtstreeks verband houdt/samenhangt met de tussen partijen bestaande uit die rechtsbetrekking voort-vloeiende verplichtingen. (Verwezen wordt in dit verband naar HR 5 juni 2006 LJN BH2815, rov. 4.11.4 en volgende.) Een en ander betekent dat door Dexia, gezien voornoemde erkenning, terecht een beroep is gedaan op het gezag van gewijsde en dat de kantonrechter terecht het beroep van Dexia daarop heeft gehonoreerd. Dat, zoals [appellant] stelt, een bedrag van
€ 483,14 nog steeds niet door Dexia is opgevorderd doet daar niet aan af.

4.2. Een en ander brengt mee dat het appel faalt, dat aan het
bewijsaanbod voorbij wordt gegaan, dat het vonnis waarvan
beroep zal worden bekrachtigd en dat [appellant] zal worden
veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van dit geding tot op
heden aan de zijde van Dexia begroot op € 254,– aan
verschotten en op € 894,– aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans,
W.H.F.M. Cortenraad en S. Clement en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 31 mei 2011 door de rolraadsheer.