LJN: BU3314, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 376564/ HAZA 10-3460

vonnis
RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 376564/ HAZA 10-3460

Vonnis van 10 augustus 2011 bij vervroeging

in de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in het verzet,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,

tegen

[curator 1], wonende te [woonplaats] en
[curator 2], wonende te [woonplaats],
in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap
DSB BANK N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Wognum, gemeente Medemblik,
gedaagden in verzet,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. K.J.L. Verschoor te Amsterdam,

Eiser wordt hierna aangeduid als [eiser] en gedaagden worden aangeduid als de curatoren. De gefailleerde wordt DSB genoemd.

1.De procedure
1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:
-de oorspronkelijke dagvaarding van 7 mei 2010 (met producties), uitgebracht door de curatoren;
-het door deze rechtbank bij verstek gewezen vonnis van 23 juni 2010 (hierna: het verstekvonnis);
-de verzetdagvaarding van 27 juli 2010, met producties;
-het tussenvonnis van 6 april 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer;
-de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
-de akte overlegging producties van de zijde van de curatoren;
-de tweede akte overlegging producties van de zijde van de curatoren;
-het proces-verbaal van de comparitie van 27 juni 2011 en de daarin genoemde pleitaantekeningen van de curatoren;
-de brief van 12 juli 2011 van de curatoren;
-de brief van 14 juli 2011 waarbij de griffier van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2011 aan de advocaten heeft toegezonden met de mededeling dat zij binnen tien dagen nadien correcties van feitelijke aard op de tekst van dat proces-verbaal kunnen doorgeven;
-de op 20 juli 2011 ontvangen fax van 19 juli 2011 van de advocaat van de curatoren.

1.2.Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd. Het vonnis wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2.De feiten
2.0.Met de onder 1.1 vermelde fax van 19 juli 2011 hebben de curatoren enkele wijzigingen in het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de comparitie op 27 juni 2011 voorgesteld. De rechtbank neemt deze wijzigingen over en leest het proces-verbaal met inachtneming van deze correcties.

2.1.[eiser] heeft op 27 september 2007 een overeenkomst van persoonlijke lening (hierna: de overeenkomst) gesloten met DSB met een netto kredietsom van
€ 24.542,– en een kredietvergoeding van € 7.732,48, zodat hij in totaal aan DSB een bedrag van € 32.274,48 diende terug te betalen. De effectieve rente op jaarbasis is bepaald op 8,4%, Volgens de overeenkomst dient [eiser] het totale bedrag terug te betalen in 84 maandelijkse termijnen van € 384,22.

2.2.De overeenkomst vermeldt dat van het krediet € 11.179,– wordt voldaan aan de Rabobank voor de aflossing van een eerdere schuld van [eiser] aan die bank. Een bedrag van € 1.841,– wordt betaald aan Reaal voor een tijdelijke overlijdensrisico-verzekering, een bedrag van € 1.958,– wordt voldaan aan AON Warranty Group voor een “financieel zekerheidsplan” (arbeidsongeschiktheidsverzekering) en een bedrag van € 743,– wordt voldaan aan DSBSchade N.V. voor een “beschermd calamiteitenplan” (ongevallenverzekering). Ten slotte wordt aan [eiser] nog € 8.821,– ter hand gesteld.

2.3.De overeenkomst is door [eiser] ondertekend en houdt onder de vermelding van de opdracht om de onder 2.2 genoemde gelden over te maken het volgende in:
“Indien geldgever geldnemer bij het verstrekken van de geldlening verplicht tot het aangaan van en instandhouden van een verzekering is geldnemer uitdrukkelijk vrij in de keuze met welke verzekeringsmaatschappij deze verzekering zal worden aangegaan, mits de verzekering ten genoege van geldgever afdoende dekking geeft.”

2.4.DSB heeft tevoren, op 20 september 2007, een klantprofiel opgemaakt van [eiser], dat eveneens door hem ondertekend is. In dit klantprofiel is voor zover van belang opgenomen:
“U heeft geen beschermingen voor uw financiële positie in geval van werkloosheid.
U behoudt onvoldoende bestedingsruimte in geval van werkloosheid.” (…)
“U bent niet bereid een inkomensterugval te accepteren in geval van arbeidsongeschiktheid en/of blijvend letsel als gevolg van een ongeval.
U bent bereid een inkomensterugval te accepteren in geval van werkloosheid.”

Tot slot is de volgende clausule opgenomen:
“U heeft alle gevraagde gegevens naar waarheid verstrekt. (…) Tevens bent u erop gewezen dat overige producten al dan niet verplicht zijn en dat u zelf mag bepalen bij welke partij deze producten worden afgesloten. U realiseert zich dat u uiteindelijk zelf verantwoordelijk bent voor de genomen beslissing op basis van dit advies.”

2.5.Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst had [eiser] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (één jaar met ingang van 1 december 2006) en was hij alleenstaand. Zijn inkomen bedroeg ongeveer € 1.900,– per maand, waarvan hij € 253,06 per maand aan huur betaalde. Zijn ziektekostenpremie bedroeg destijds € 100,– per maand, zodat hij per maand netto € 1.600,– overhield.

2.6.Vanaf mei 2008 ontstond een betalingsachterstand. De curatoren hebben om die reden [eiser] op 7 mei 2010 gedagvaard en betaling van € 21.601,60 gevorderd, te vermeerderen met contractuele rente en kosten. Bij het verstekvonnis heeft deze rechtbank [eiser] veroordeeld tot betaling van dit bedrag, met rente en de kosten.

3.De vordering

3.1.In deze procedure vordert [eiser], zakelijk weergegeven:
in conventie:
ontheffing van de veroordelingen tegen hem uitgesproken bij het verstekvonnis, met afwijzing van alle vorderingen en met veroordeling van de curatoren in de kosten van de procedures;
in reconventie:
a. nietigverklaring van de persoonlijke lening en alle onder 2.2 genoemde verzekeringen;
b. de in het geding zijnde overeenkomsten wegens dwaling te ontbinden;
c. te bepalen dat DSB jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten en/of haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en deswege aansprakelijk is voor de daardoor door hem geleden schade, primair te begroten op € 6.746,32 en subsidiair respectievelijk meer subsidiair op een door de rechtbank te bepalen bedrag, dan wel een in een schadestaatprocedure vast te stellen bedrag, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente;
d. kosten rechtens.

3.2.[eiser] legt aan zijn vordering allereerst ten grondslag dat de afgesloten verzekeringen van rechtswege nietig zijn, omdat sprake is geweest van koppelverkoop van kredieten en verzekeringen, en voorts dat DSB haar zorgplicht heeft geschonden door hem in 2007 het krediet te verstrekken. Door deze handelwijze van DSB heeft hij schade geleden, die verrekend moet worden met de vordering van de curatoren. De buitengerechtelijke incassokosten wenst hij gematigd te zien tot de som van € 200,–.

3.3.De curatoren voeren verweer.

3.4.De grondslag voor de vordering en het verweer zullen worden besproken bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie

Ontvankelijkheid

4.1.Nu gesteld noch gebleken is dat het verzet niet tijdig of op onjuiste wijze is ingesteld, kan [eiser] in zijn verzet worden ontvangen.

4.2.De curatoren hebben echter in de conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in de reconventie omdat art. 26 Faillissementswet bepaalt dat rechtsvorderingen die voldoening van een vordering uit de boedel beogen, gedurende het faillissement slechts kunnen worden ingesteld door aanmelding ter verificatie. Deze stelling is juist, hetgeen betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn reconventionele vordering en zal worden veroordeeld in de proceskosten. Het beroep van de curatoren op afwijzing van de reconventionele vorderingen wegens onderlinge onverenigbaarheid van de diverse in reconventie cumulatief ingeroepen rechtsgronden behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het beroep op verrekening

4.3.Dit brengt echter nog niet mee dat het in conventie gedane beroep op verrekening van de door [eiser] ingestelde vorderingen met de vorderingen van de curatoren in conventie niet meer mogelijk is. De curatoren hebben zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat verrekening van de reconventionele vordering met de vordering in conventie contractueel is uitgesloten. Bij hun brief van 12 juli 2011 hebben zij bericht dat zij – louter om proceseconomische reden – het beroep op het non-verrekeningsbeding intrekken. Dat betekent dat dit niet meer in de weg staat aan de beoordeling van het beroep van [eiser] op verrekening. In zoverre zijn de gronden voor de reconventionele vorderingen ook nog relevant voor de beoordeling van het geding in conventie.

Koppelverkoop

4.4.Van de verste strekking is het standpunt (bij wijze van verweer in conventie en als grondslag in reconventie) van [eiser] met betrekking tot de nietigheid van de overeenkomst en de verzekeringen van rechtswege wegens “koppelverkoop”, dat kennelijk steunt op het in art. 33 van de Wet op het consumentenkrediet (oud) (Wck (oud)) neergelegde verbod tot het aangaan van een bepaalde nevenovereenkomsten bij een kredietovereenkomst. Indien dit standpunt juist is, hebben de curatoren niets meer van [eiser] te vorderen. De rechtbank zal dit daarom als eerste bespreken.

4.5.[eiser] legt aan zijn onder 4.4 verwoorde standpunt ten grondslag dat hij, toen hij de overeenkomst wilde sluiten, verplicht was de onder 2.2 genoemde verzekeringen af te sluiten.

4.6.Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van deze – door de curatoren betwiste – stelling van [eiser], overweegt de rechtbank het volgende. Zowel in het door [eiser] medeondertekende klantprofiel als in de overeenkomst is met zoveel woorden vermeld dat hij vrij was in de keuze van de verzekeraar. Voor zover dus een verplichting voor [eiser] bestond om verzekeringen aan te gaan, was die op grond van de uitzondering genoemd in art. 33 aanhef, onder b, sub 1, Wck (oud), toegestaan. Daarbij geldt dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] een exemplaar van de overeenkomst heeft meegekregen, zodat moet worden aangenomen dat hij, zo hij zich onder druk gezet voelde bij het aangaan van de overeenkomst, zich thuis nog had kunnen beraden. Op grond van de algemene voorwaarden van de verzekeringen geldt bovendien – zoals gesteld door de curatoren en niet betwist door [eiser] – dat zij opzegbaar zijn tot veertien dagen na ontvangst van de polis, zodat [eiser] ook feitelijk nog de mogelijkheid had van verzekeraar te veranderen en/of deze verzekeringen te beëindigen. Van nietigheid van de overeenkomst op grond van art. 33 Wck (oud) is derhalve geen sprake.

Zorgplicht

4.7.Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of DSB haar zorgplicht heeft geschonden. De curatoren hebben betwist dat sprake is van een tekortkoming in dit opzicht.

4.8.Voor de beantwoording van de vraag of DSB de zorgplicht heeft geschonden die op haar als bank rustte bij het aangaan van de overeenkomst met [eiser], dient als uitgangspunt te gelden dat op banken, op grond van hun maatschappelijke functie, een bijzondere zorgplicht rust. Deze zorgplicht strekt tot bescherming van de (potentiële) klant tegen eigen lichtvaardigheid of ondeskundigheid en vloeit voort uit hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid, gelet op de aard van de verhouding tussen financiële instellingen en haar particuliere cliënten, meebrengen. De omvang van de zorgplicht hangt voorts af van de omstandigheden van het geval en van de aard van de door de bank verleende dienst. Een bank voldoet bij kredietovereenkomsten als de onderhavige aan haar zorgplicht als zij vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de kredietnemer heeft gecontroleerd.

4.9.[eiser] heeft aangevoerd dat nu bewijzen ontbreken die op het tegendeel wijzen, moet worden aangenomen dat DSB zijn kredietwaardigheid niet heeft onderzocht, geen BKR-toets heeft verricht en geen klantprofiel heeft opgesteld of heeft laten opstellen.

4.10.Met betrekking tot dit betoog stelt de rechtbank voorop dat uit de vaststaande feiten, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat er wel degelijk een klantprofiel van [eiser] is opgesteld. Voorts hebben de curatoren, onder overlegging van producties, onweersproken gesteld datDSB heeft getoetst of de kredietaanvraag van [eiser] binnen de gestelde normen kon worden geaccepteerd en dat een BKR-toets is verricht. Dit laat geen andere slotsom toe dan dat DSB in zoverre in overeenstemming heeft gehandeld met de zorgplicht die op haar rustte.

4.11.Voorts heeft [eiser] als onzorgvuldig aangemerkt dat hij, toen hij zich wendde tot DSB om een bestaande schuld bij de Rabobank (een doorlopend krediet zonder aflossing) te herfinancieren om goedkoper uit te zijn, door DSB ongewild een extra krediet kreeg en verplicht werd de onder 2.2 genoemde verzekeringen af te sluiten, waarvoor de koopsommen ongevraagd werden meegefinancierd. Een en ander onder het aanbieden van wat hij aanduidt als “lokrentes”.

4.12.Hoewel de rechtbank met [eiser] van oordeel is dat er vraagtekens kunnen worden gezet wanneer een bank zijn cliënt adviseert meer krediet op te nemen dan hij verzoekt en het onzorgvuldig acht wanneer een bank zijn cliënt tijdelijk een zeer lage rente biedt, zonder hem er op te wijzen dat deze rente door de bank op ieder moment kan worden verhoogd op een door haar vast te stellen – niet marktconform – percentage, treft het betoog van [eiser] geen doel. Daargelaten dat het betoog van [eiser] op deze punten feitelijk door de curatoren is betwist en de juistheid ervan dus niet kan worden vastgesteld, geldt (ook) hier dat sprake is van een inzichtelijk product: een reguliere kredietovereenkomst waarop de kredietsom, de totale kredietvergoeding (rente) en de vaste maandelijkse betalingsverplichtingen duidelijk zijn vermeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor [eiser] aanstonds duidelijk was waartoe hij zich had verbonden. Als [eiser] zich overrompeld heeft gevoeld tijdens het gesprek met de tussenpersoon over de geldlening en de aangeboden verzekeringen, zou hij in ieder geval – indien hij ontevreden was over het product – bij thuiskomst nog eens hebben kunnen nakijken waartoe hij zich verbonden had. Hij had dan vervolgens aan de tussenpersoon kunnen meedelen het product niet te wensen. Voorts geldt voor het door [eiser] als het ware “overtollig” geleende deel van de lening dat hij dit niet had behoeven op te nemen. Hij had de gevolgen van het opnemen en uitgeven hiervan kunnen begrijpen en behoren te begrijpen. Deze gevolgen dienen, als zijn eigen keuze, voor zijn rekening te blijven. Nu de curatoren onbetwist hebben gesteld dat [eiser] voldoende gelegenheid bezat om mogelijk niet gewilde producten te annuleren en hij dat heeft nagelaten, moet worden aangenomen dat hij deze producten ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst moet hebben gewild, en in elk geval dat DSB uit zijn verklaringen en gedragingen redelijkerwijs niets anders behoefde op te maken.

4.13.[eiser] stelt zich tot slot op het standpunt dat hij in het najaar 2007 niet kredietwaardig genoeg was om de overeenkomst aan te gaan. DSB had zich dat moeten realiseren en hem moeten beschermen tegen de overkreditering.

4.14.Dit verweer slaagt. Vast staat dat in het klantprofiel is gesignaleerd dat [eiser] geen bescherming had voor zijn financiële positie in geval van werkloosheid en in dat geval onvoldoende bestedingsruimte overhield. Vast staat ook dat DSB destijds wist dat [eiser] slechts een arbeidsovereenkomst had voor een jaar, die was ingegaan op 1 december 2006 en derhalve kort na het aangaan van de overeenkomst zou eindigen. Voorts is ter zitting gebleken dat DSB hem op dat moment geen verzekering tegen werkloosheid kón aanbieden, juist vanwege het feit dat hij slechts een tijdelijke baan had. Tot slot is onbetwist dat [eiser] door werkloosheid in de situatie van betalingsachterstand is geraakt.

4.15.Onder de onder 4.14 genoemde omstandigheden was het onzorgvuldig van DSB om [eiser] ondanks het onverzekerbare en niet onvoorzienbare risico van werkloosheid toch een lening te verstrekken tot het kredietplafond dat op grond van zijn toenmalige salaris gold. VanDSB had, mede gelet op de lange duur van de betalingsverplichtingen waartoe [eiser] zich verbond, verwacht mogen worden dat zij [eiser] zou hebben beschermd en hem niet meer krediet zou hebben verstrekt dan passend was bij dat risico. Nu gesteld noch gebleken is datDSB een en ander expliciet aan [eiser] heeft voorgehouden, moet het ervoor worden gehouden dat DSB dat niet heeft gedaan. Daarmee heeft zij haar zorgplicht geschonden.

Tijdig geklaagd

4.16.Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of [eiser] tijdig heeft geklaagd. De curatoren stellen dat dat niet het geval is. Zij betogen dat het om een overzichtelijk, niet complex product gaat, waarvan de reikwijdte voor [eiser] meteen duidelijk moet zijn geweest. Volgens hen had [eiser] moeten klagen binnen de in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde “bekwame tijd”, maar is dit niet gebeurd nu [eiser] de overeenkomst is aangegaan in september 2007 en eerst is gaan klagen na 23 maanden. Daarbij stellen de curatoren dat de gevolgen van artikel 6:89 BW niet kunnen worden ontgaan door de vordering die in essentie is gebaseerd op een gebrek in de prestatie, te baseren op een andere grondslag dan wanprestatie.
[eiser] heeft daartegen aangevoerd dat hij de polis van het financieel zekerheidsplan pas in april 2008 heeft ontvangen.
4.17.Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze zaak om een situatie waarin de vorderingen ook voor zover zij niet zijn gebaseerd op wanprestatie, gestoeld zijn op een gebrek in de prestatie. Het gestelde onrechtmatige handelen van DSB bestaat immers volledig in de toerekenbare tekortkoming in de zorgplicht die op haar rust op grond van de overeenkomst. Ook voor de vraag of [eiser] tijdig heeft geklaagd is van belang dat sprake is van een betrekkelijk eenvoudig product, een kredietsom van bepaalde hoogte met duidelijke, in beginsel vaste maandelijkse betalingsverplichting. [eiser] is ook begonnen met aflossing van het krediet in deze maandelijkse termijnen, zodat bij hem geen onduidelijkheid kan hebben bestaan omtrent de omvang van zijn betalingsverplichtingen. Eventuele gebreken in de overeenkomst (bestaande uit overkreditering en ongewilde polissen) hadden hem op grond van de overeenkomst derhalve aanstonds duidelijk kunnen zijn.

4.18.De stelling van [eiser] dat hij pas in de zomer van 2009 ontdekte dat hij door een toen ingetreden werkloosheid niet meer aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst kon voldoen, maakt de ingangsdatum van de klachtplicht (binnen redelijke termijn na aangaan van de overeenkomst) in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet anders. [eiser] heeft ter gelegenheid van de comparitie verklaard dat hij dacht verzekerd te zijn tegen werkloosheid en pas toen hij werkloos raakte hoorde dat hij daartegen niet verzekerd was. Voorts heeft [eiser] ter comparitie gezegd dat hij gekozen had voor een werkloosheidsverzekering, maar achteraf bleek dat hij die verzekering niet had. Voor zover [eiser] hiermee beoogt het tijdstip van de gebrekkige prestatie te verleggen, moet dit betoog falen. [eiser] heeft zijn stellingen niet nader onderbouwd. Met name heeft hij niet uitgelegd waarom hij gerechtvaardigd kon aannemen dat vanaf het sluiten van de overeenkomst deze dekking bestond. Dat [eiser] uit verklaringen of gedragingen van DSB redelijkerwijs zou hebben kunnen begrijpen dat voor het risico van werkloosheid een vangnet bestond in de vorm van een verzekering, is gesteld noch gebleken. Onder die omstandigheden is een klacht pas in augustus 2009 over een product dat in september 2007 is geleverd, te laat. Nu [eiser] aldus niet tijdig heeft geprotesteerd, kan hij geen beroep meer doen op de gebrekkigheid van de prestatie. Het beroep van de curatoren op art. 6:89 BW slaagt.

4.19.Daaraan doet niet af dat [eiser] stelt dat hij de polis van het financieel zekerheidsplan pas een half jaar na het aangaan van de overeenkomst heeft ontvangen. Een dergelijke vertraging – indien al juist, want de curatoren hebben deze stelling van [eiser] betwist – levert een omissie op aan de zijde van DSB, maar [eiser] heeft niet (voldoende) gesteld en evenmin is gebleken dat dit enig verband heeft met de gestelde schade. Voorts is gesteld noch gebleken dat [eiser] niet direct na ontvangst van dit polisblad alsnog had kunnen klagen. Dit betekent dat het bij wijze van verweer gedane beroep op verrekening in conventie dient te worden verworpen.

De slotsom, de kosten

4.20.De advocaat van [eiser] heeft ter comparitie van partijen nog het verzoek gedaan om al hetgeen mr. Dommerholt, de advocaat van de gedaagden Hollander en Blaauw, heeft aangevoerd in de gelijktijdig behandelde zaak van de curatoren tegen deze personen, in deze zaak als herhaald en ingelast te beschouwen. Een dergelijk algemeen en ongeclausuleerd verzoek met betrekking tot stellingen en verweren in een zaak die met de onderhavige zaak niet in enig (juridische) verband staat en waarin de feiten zich in elk geval goeddeels anders hebben toegedragen, is in strijd met de eisen van een goede procesorde, en dit temeer in deze fase van de procedure. De rechtbank zal hieraan dan ook voorbijgaan.
4.21.Hetgeen hiervoor is overwogen laat geen andere slotsom toe dan dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard. Het beroep van [eiser] op verrekening van de reeds toegewezen vordering van de curatoren met een tegenvordering van hem wordt verworpen, nu hij te laat heeft geklaagd. Het bewijsaanbod van [eiser] zal worden gepasseerd. Het is hetzij te vaag, nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen, hetzij niet ter zake dienende, nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding kunnen geven.

4.22.[eiser] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Bij het verstekvonnis zijn de proceskosten tot dan toe reeds begroot op € 1.134,70. Aan deze kostenveroordeling zal thans voor additionele kosten € 579,– (één punt volgens tarief III) worden toegevoegd. Deze kosten in reconventie worden aan de zijde van de curatoren begroot op € 298,50,– (een halve punt volgens tarief III).

5.Beslissing

De rechtbank:

in conventie

– verklaart het verzet ongegrond en bekrachtigt het verstekvonnis van 23 juni 2010;
– veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren vanaf het vonnis van 23 juni 2010 tot op heden additioneel begroot op € 579,– voor salaris advocaat;
– verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

– verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen;
– veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren tot op heden begroot op € 289,50 voor salaris advocaat;
– verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis, mr. I. Brand en mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.