LJN: BW3720, Rechtbank Zwolle , 126252 / HA ZA 11-914

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Nevenzittingsplaats Rechtbank Zutphen

 

Sector Civiel – Afdeling Handel

 

zaaknummer / rolnummer: 126252 / HA ZA 11-914

 

Vonnis van 8 februari 2012

 

in de zaak van

 

mrs. Rutger Jan SCHIMMELPENNINCK en (voorheen: Joost Christiaan Lodewijk KUIPER, thans) Bernardus Franciscus Maria KNÜPPE in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap DSB BANK.,

wonende te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. G.J. Houweling te Bleiswijk,

 

tegen

 

[gedaagde]

wonende te Almere,

gedaagde,

advocaat mr. E. Douma te Almere.

 

Partijen zullen hierna de curatoren en [gedaagde] genoemd worden.

 

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding

– de conclusie van antwoord

– de conclusie van repliek

– de conclusie van dupliek.

 

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2. De feiten

2.1. Op 1 februari 2000 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen enerzijds [gedaagde] en zijn toenmalige partner [naam p[naam partner] (hierna te noemen: [naam partner]) en anderzijds Avéro Bank N.V. te Zaandam, een rechtsvoorgangster van DSB. De overeenkomst betrof een lening van ƒ 57.120,00. Uit hoofde van deze overeenkomst zijn [gedaagde] en [naam partner] een maandelijkse betaling aan DSB verschuldigd, terwijl over het uitstaand saldo een in hoogte wisselende maandelijkse kredietvergoeding verschuldigd is. De overeenkomst is bij DSB bekend onder nummer [nummer].

 

2.2. Op 1 februari 2000 is een overeenkomst van doorlopend krediet gesloten tussen enerzijds [gedaagde] en [naam partner] en anderzijds De Vliet Voorschotbank te Wognum, eveneens een rechtsvoorganger van DSB. Deze overeenkomst betrof een persoonlijk krediet met een kredietmaximum van ƒ 65.218,00 en heeft contractnummer [nummer]. Uit hoofde van deze overeenkomst zijn [gedaagde] en [naam partner] een maandelijkse betaling aan DSB verschuldigd, terwijl over het uitstaand saldo een in hoogte wisselende maandelijkse kredietvergoeding verschuldigd is.

 

2.3. [naam partner] is in maart 2007 toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. In de schuldsanering zijn ook de beide schulden aan DSB betrokken.

 

2.4. Op 19 oktober 2009 is DSB in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R.J. Schimmelpenninck en mr. J Kuiper tot curatoren. Inmiddels is mr. B.F.M. Knüppe tot curator benoemd in plaats van mr. Kuiper.

 

2.5. Bij brief van 17 oktober 2009 heeft DSB aan [gedaagde] geschreven dat de automatische incasso van het termijnbedrag voor de lening met nummer [nummer] niet is gelukt en [gedaagde] verzocht de achterstand per (aangehechte) acceptgiro te voldoen. Op de acceptgiro is het te betalen bedrag van € 20.359,30 vermeld.

 

2.6. Bij brief van 22 oktober 2009 heeft DSB, onder vermelding van het contractnummer [nummer], [gedaagde] gesommeerd over te gaan tot betaling van het bedrag van € 20.539,30 op een van de in de brief genoemde rekeningnummers van DSB.

 

2.7. Bij twee afzonderlijke brieven van 20 januari 2010 heeft DSB aan [gedaagde] geschreven dat wordt overgegaan tot vervroegde opeising van de gehele lening en dat het dossier zal worden overgedragen aan Incassobureau Inspectrum BV. In de ene brief, met contractnummer [nummer], is een volledige schuld van € 27.083,24 vermeld en in de andere brief, met contractnummer [nummer], een volledige schuld van € 31.310,64.

In beide brieven wordt aangedrongen op telefonische overboeking binnen vijf dagen, maar is niet aangegeven naar welk rekeningnummer de betaling moet worden gedaan.

 

2.8. Bij twee afzonderlijke brieven van 2 februari 2010 heeft de advocaat van de curatoren aan [gedaagde] eveneens meegedeeld dat tot vervroegde opeising van de leningen is overgegaan en hem gesommeerd tot betaling over te gaan op het in de brieven aangegeven rekeningnummer. Voor het contract met nummer [nummer] betreft dit het bedrag van € 27.272,59 en voor het contract met nummer [nummer] een bedrag van

€ 31.654,95.

 

2.9. Bij brief van 12 februari 2010 heeft [gedaagde] gereageerd naar de advocaat van de curatoren.

 

3. Het geschil

3.1. De curatoren vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen tot :

A. betaling van € 27.232,56, te vermeerderen met een rente van 0,636% per maand vanaf

26 januari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, met verlaging van dit rentepercentage indien dit het op grond van de WCK maximaal toelaatbare rentepercentage overstijgt,

B. betaling van € 31.582,00, te vermeerderen met een rente van 0,999% per maand vanaf

26 januari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, met verlaging van dit rentepercentage indien dit het op grond van de WCK maximaal toelaatbare rentepercentage overstijgt,

C. betaling van de proceskosten.

 

3.2. De curatoren leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van de overeengekomen maandtermijnen, zodat tot vervroegde opeisbaarheid overgegaan mocht worden. Nu dit is gedaan is de gehele openstaande som van beide leningen opeisbaar geworden. [gedaagde] is gehouden tot betaling daarvan.

 

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de curatoren althans afwijzing van de vorderingen. Hij stelt daartoe dat hij met DSB een betalingsafspraak had die hij is blijven nakomen tot het faillissement van DSB. De afspraak hield in dat hij op één van de leningen zou blijven aflossen en op de andere niet. Vanwege het faillissement van DSB was hem onduidelijk op welke wijze bevrijdend betaald kon worden. Bij navraag bij de Nederlandsche Bank is hem verteld dat nog niet bekend was aan wie betaald kon worden en is hem geadviseerd met betalingen te wachten. Daarom heeft hij zijn betaling opgeschort, totdat duidelijkheid zou worden verkregen. De brieven van DSB uit oktober 2009 en januari 2010 heeft hij niet ontvangen. De eerste brief van de kant van DSB die [gedaagde] na het faillissement heeft ontvangen was de brief van de advocaat van de curatoren van 2 februari 2010. Hierop is door [gedaagde] gereageerd, maar daarop is als reactie meteen de dagvaarding gevolgd. [gedaagde] betwist dat de curatoren tot opeising van de volledige sommen gerechtigd zijn.

 

4. De beoordeling

4.1. Ter beoordeling is allereerst of de curatoren terecht tot vervroegde opeising van de beide leningen zijn overgegaan. [gedaagde] stelt de betalingen te hebben opgeschort vanwege onduidelijkheid over de vraag aan wie in de faillissementssituatie bevrijdend betaald kon worden. Gelet op artikel 6:37 BW was [gedaagde] tot een dergelijke opschorting gerechtigd zolang hij redelijke gronden had om te twijfelen aan wie hij kon of moest betalen. Uit de door de curatoren overgelegde overzichten (productie 1 en 2 bij conclusie van repliek) blijkt dat bij het contract met nummer [nummer] regelmatige betalingen zijn verricht tot en met

14 oktober 2009. Daarna zijn geen betalingen meer in het overzicht opgenomen. Gelet op de faillissementsdatum van DSB, 10 oktober 2009, en het verweer van [gedaagde] is aannemelijk dat de betalingen vanwege het faillissement zijn gestopt.

 

4.2. De curatoren wijzen op de onder 2.5 en volgende genoemde correspondentie en stellen dat het [gedaagde] daaruit duidelijk moest zijn dat en op welke wijze betaald kon worden, terwijl hij daartoe niet is overgegaan. [gedaagde] betwist dat hij dit wist en stelt dat hij deze brieven, met uitzondering van de laatste, niet heeft ontvangen.

 

4.3. Voor zover de curatoren wijzen op overgelegde brieven die aan [naam partner] zijn gericht is zonder verdere uitleg, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom deze brieven voor de beoordeling van de bekendheid van [gedaagde] met de tot ontvangst van betalingen gerechtigde relevant zouden zijn, nu onweersproken vast staat dat de relatie van [naam partner] en [gedaagde] al in 2003 is geëindigd en de brieven dateren uit 2009 en 2010.

 

4.4. De onder 2.5 en volgende genoemde brieven betreffen alle de overeenkomst met nummer [nummer]. Van de aan [gedaagde] gerichte correspondentie die is overgelegd heeft alleen de onder 2.7 genoemde brief van 20 januari 2010 betrekking op het contract met nummer [nummer].

In de brieven genoemd onder 2.5 en 2.6 is duidelijk aangegeven aan wie en op welke manier betaald moet worden, maar de brief onder 2.5 is van 17 oktober 2009, enkele dagen vóór het faillissement van DSB en de brief onder 2.6 is van 22 oktober 2009, enkele dagen na het faillissement. Nu deze laatste brief niet afkomstig is van de curatoren maar van DSB zelf, in de brief niet wordt ingegaan op het faillissement en geen betaling op een faillissementsrekening wordt verzocht, kan uit de brief niet kan worden afgeleid of de brief ook in het licht van het faillissement ongewijzigde gelding heeft. Nog afgezien van de betwisting door [gedaagde] van de ontvangst van deze brieven, zijn deze brieven niet voldoende om de twijfel omtrent de rechtmatige ontvangstgerechtigde weg te nemen.

 

4.5. In de brieven van 20 januari 2010 wordt alleen van telefonische overboeking gesproken, zonder dat daarbij wordt aangegeven op welke rekening en zonder dat adresgegevens en/of telefoonnummers worden vermeld. De in deze brieven gegeven informatie strekt er niet toe dat [gedaagde] hieruit zonder meer had moeten begrijpen dat en op welke wijze weer bevrijdend aan de curatoren betaald kon worden. Ook in deze brieven wordt geen aandacht besteed aan de faillissementssituatie en wordt niet verwezen naar bijvoorbeeld de curatoren of de rechter-commissaris. De inhoud lijkt niet aangepast aan de feitelijke situatie waarin DSB op dat moment verkeerde. Ook deze brieven zijn niet voldoende om de opschorting door [gedaagde] onrechtmatig te achten.

 

4.6. Dit is anders met de brief van de advocaat van de curatoren van 2 februari 2010. Na ontvangst van deze brief kon [gedaagde] niet langer opschorten. [gedaagde] stelt dat hij dat ook niet langer gedaan heeft maar uitleg over de situatie heeft gevraagd, waarbij het hem met name niet duidelijk was op welke wijze de periode van schuldhulpverlening van [naam partner] was meegenomen in de hoogte van de schuld. Dit blijkt ook uit de overgelegde brief van 12 februari 2010.

 

4.7.De curatoren zijn bij de brief van 2 februari 2010 overgegaan tot vervroegde opeising van de schulden.

Ten aanzien van de schuld met nummer [nummer] zijn betalingen verricht tot het faillissement van DSB. Nu het beroep van [gedaagde] op opschorting van de betalingsverplichting gedurende de periode dat hem onduidelijk was aan wie bevrijdend betaald kon worden slaagt, kan de achterstand die is ontstaan in de periode van 19 oktober 2009 tot 2 februari 2010 niet ten grondslag worden gelegd aan de stelling dat sprake is van een betalingsachterstand van meer dan twee maanden.

De curatoren stellen dat bij een betalingsachterstand van meer dan twee maanden een bevoegdheid tot het vervroegd opeisen van de gehele hoofdsom is overeengekomen. De op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarop de curatoren zich kennelijk beroepen, zijn door hen niet overgelegd. [gedaagde] heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist. De juistheid van deze stelling kan echter in het midden blijven, nu de gestelde bevoegdheid in elk geval op 2 februari 2010 niet bestond. De daarop gebaseerde vordering moet worden afgewezen.

 

4.8. Ten aanzien van het contract met nummer [nummer] heeft [gedaagde] gesteld dat door hem met DSB is overeengekomen dat hij – in afwijking van hetgeen aanvankelijk in de overeenkomst was vastgelegd – geen betalingen meer zou doen en zich zou richten op betaling van de andere lening. De curatoren betwisten dat deze afspraak bestaat. Het is aan [gedaagde] om bewijs van zijn stellingen te leveren. [gedaagde] zal zich er bij akte over mogen uitlaten of hij tot deze bewijslevering wil worden toegelaten en, zo ja, op welke wijze.

 

4.9. In het geval dat na bewijslevering zou komen vast te staan dat [gedaagde] niet gehouden was tot betalingen op deze lening, kan een ontstane betalingsachterstand niet ten grondslag worden gelegd aan de vordering. In het geval dat na bewijslevering de gestelde afspraak niet komt vast te staan, heeft ook hier te gelden dat het beroep van [gedaagde] op opschorting van de betalingsverplichting gedurende de periode dat hem onduidelijk was aan wie bevrijdend betaald kon worden slaagt. Voor zover de achterstand is ontstaan in de periode van

19 oktober 2009 tot 2 februari 2010 kan deze niet ten grondslag worden gelegd aan de stelling dat sprake is van een betalingsachterstand van meer dan twee maanden.

[gedaagde] heeft echter niet betwist dat de betalingen gestopt zijn in 2008, zodat voldoende vast staat dat ook voor het faillissement van DSB een aanzienlijke betalingsachterstand op deze lening bestond. Nu [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap betwist dat de curatoren op grond van de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden een bevoegdheid tot vervroegd opeisen toekomt, zullen de curatoren in de gelegenheid worden gesteld de betreffende voorwaarden bij akte in het geding te brengen.

 

4.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden

 

5. De beslissing

De rechtbank

 

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 februari 2012 voor

het nemen van:

– een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 4.8 en

– een akte door de curatoren over hetgeen is vermeld onder 4.9,

waarna de wederpartij op de rol van 2 weken daarna een antwoordakte kan nemen,

 

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2012.