LJN: BW5700, Rechtbank Zwolle , 126250 / HAZA 11-912

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Nevenzittingsplaats Rechtbank Zutphen

 

Sector Civiel – Afdeling Handel

 

zaaknummer / rolnummer: 126250 / HAZA 11-912

 

Vonnis van 1 februari 2012

 

in de zaak van

 

mrs. Rutger Jan SCHIMMELPENNINCK en Bernardus Franciscus Maria KNÜPPE in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap DSB BANK.,

beiden wonende te Amsterdam,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R.K.J. van Zomeren te Heerhugowaard,

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad.

 

 

Partijen zullen hierna de curatoren en [gedaagde] genoemd worden.

 

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding

– de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie

– de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,

– de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie,

– de conclusie van dupliek in reconventie.

 

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2. De feiten

2.1. [gedaagde] heeft op 27 februari 2003 een overeenkomst van doorlopend krediet gesloten met Robbesand Voorschotbank B.V. een rechtsvoorganger van de DSB Bank NV (hierna te noemen: DSB) met een kredietlimiet van € 3.994,00. De overeenkomst draagt het contractnummer [nummer]. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] sinds 1 april 2003 een maandelijkse betaling van € 120,- aan DSB verschuldigd, terwijl zij over het uitstaand saldo een variabele rentevergoeding verschuldigd is.

 

2.2. [gedaagde] is in november 2004 toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. Bij brief van 31 december 2004 (productie 2 bij conclusie van repliek/antwoord) heeft de bewindvoerder WSNP aan DSB geschreven dat de vordering met kenmerk [nummer] op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren is geplaatst voor het bedrag van

€ 5.039,52.

 

2.3. De bewindvoerder heeft bij brief van 3 juli 2006 (productie 4 bij repliek/antwoord) aan DSB gemeld dat de schuldsanering tussentijds is beëindigd en dat [gedaagde] in staat van faillissement is verklaard. Deze brief draagt als kenmerk van DSB het nummer [nummer]].

 

2.4. Het faillissement van [gedaagde] is op 19 juli 2006 opgeheven bij gebrek aan baten.

 

2.5. Op 19 oktober 2009 is DSB in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R.J. Schimmelpenninck en mr. J Kuiper tot curatoren. Inmiddels is mr. B.F.M. Knüppe tot curator benoemd in plaats van mr. Kuiper.

 

2.6. In opdracht van DSB is door De Ruijter& Willemsen gerechtsdeurwaarders bij brief van 18 maart 2010 aan [gedaagde] geschreven (productie bij de conclusie van antwoord/eis):

“(…)

Dossier: 20101136/EW

(…)

In opgemelde zaak hebben wij geïnformeerd bij cliënte. Deze zaak is uit handen gegeven aan ons kantoor aangezien zij nimmer het inkomsten/uitgaven formulier van u retour hebben ontvangen met daarbij uw voorstel.

U kunt met ons kantoor een betalingregeling treffen. (…)

Onderstaand treft u een overzicht aan van hetgeen u in totaal verschuldigd bent met betrekking tot de bij ons openstaande vordering.

20101136 DSB Bank NV

Hoofdsom € 2.849,41

Rente tot heden € 2.034,08

Geliquideerde kosten € 485,40

Betekening en bevel € 67,76

Executiekosten € 113,62

Nasalaris € 135,00

Subtotaal € 5.685,27

Waarop in mindering is voldaan € 750,00

Totaal verschuldigd € 4.935,27

(…)”.

 

2.7. In november 2005 is de bijstandsuitkering van [gedaagde] stopgezet door de gemeente. Na een bestuursrechtelijke procedure is door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 8 juni 2010 geoordeeld dat deze beëindiging ten onrechte is geweest. [gedaagde] heeft een nabetaling van haar bijstandsuitkering ontvangen. Van dit geld heeft zij onder meer de hierboven onder 2.6 genoemde schuld voldaan.

 

 

3. Het geschil

in conventie

 

3.1. De curatoren vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 7.347,73 te vermeerderen met een overeengekomen rente van maximaal de door de Wet op het Consumentenkrediet toegestane hoogte, vanaf

18 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

 

3.2. De curatoren voeren daartoe aan dat tot opeising van de schuld is overgegaan vanwege de achterstalligheid van [gedaagde] van meer dan 24 maanden in de termijnbetalingen. De openstaande som was per 6 januari 2011 € 7.347,73, terwijl de contractuele rente bij aanvang op 23.9% effectief op jaarbasis is vastgesteld, en thans effectief op jaarbasis 0% bedraagt.

 

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet- ontvankelijk verklaring van de curatoren in hun vordering, althans afwijzing van die vordering met veroordeling van de curatoren in de proceskosten. Zij stelt dat zij er op mocht vertrouwen dat met de executie van het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad met rolnummer 235904 CV EXPL 04-5534 de openstaande schuld aan DSB was afbetaald en dat haar toen finale kwijting is verleend. Er is sprake van misleiding doordat DSB eerst nà voldoening van die kwestie met de huidige lening op de proppen is gekomen. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid om thans nog betaling te vorderen. In het traject van schuldsanering en faillissement heeft DSB kennelijk de vordering op [gedaagde] verminderd tot € 506,35. [gedaagde] heeft buiten haar schuld het traject van schuldsanering niet kunnen afronden. [gedaagde] beroept zich voorts op verjaring van de vordering van DSB.

 

in reconventie

 

3.4. Het verweer van [gedaagde] mondt uit in een vordering in reconventie, waarbij zij vordert dat de rechtbank bij vonnis voor recht zal verklaren dat [gedaagde] met de voldoening van de in de brief van 18 maart 2010 genoemde vordering jegens de curatoren finaal is gekweten, met veroordeling van de curatoren in de proceskosten. [gedaagde] voert hiertoe aan hetgeen zij in conventie als verweer heeft aangevoerd.

 

3.5. De curatoren voeren verweer tegen de vordering en concluderen tot niet-ontvankelijk verklaring van [gedaagde] althans afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Zij voeren daartoe aan dat de betaling, die is ontvangen na de brief van 18 maart 2010 niet ziet op de vordering waarvan nu betaling wordt verlangd. Er is indertijd ook een kredietovereenkomst gesloten tussen (een rechtsvoorganger van) DSB en [gedaagde] met contractnummer [nummer]]. Er is geen sprake van verjaring, omdat de vordering met betrekking tot het contract met nummer ..[nummer] tijdens de schuldsanering is ingediend en voorlopig geverifieerd. DSB heeft nimmer kwijting verleend met betrekking tot deze schuld en ook niet bij [gedaagde] die indruk gewekt. Dat intern bij DSB de hoogte van de vordering is aangepast heeft te maken met door een bank te treffen voorzieningen, maar daaraan kan [gedaagde] geen rechten ontlenen.

 

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

 

4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen en verweren in conventie en in reconventie, zullen deze tegelijk worden beoordeeld.

 

4.2. [gedaagde] betwist niet dat zij met (de rechtsvoorganger van) DSB de onder 2.1 genoemde overeenkomst is aangegaan. Evenmin betwist zij dat DSB in beginsel recht heeft op betaling van hetgeen [gedaagde] uit hoofde van die overeenkomst aan DSB schuldig is.

Gesteld noch gebleken is dat zij tot die betaling is overgegaan.

 

4.3. Het verweer van [gedaagde] betreft allereerst verjaring. Bij een geldvordering zoals hier aan de orde is de verjaringstermijn vijf jaar. Hiervan zou dus sprake kunnen zijn als een periode van vijf jaar kan worden vastgesteld waarin geen rechtshandelingen door DSB zijn verricht die gericht zijn op het verkrijgen van voldoening van haar vordering. Een dergelijke periode is door [gedaagde] niet (onderbouwd) gesteld. De periodieke betalingsverplichtingen zijn per 1 april 2003 opeisbaar geworden. Binnen vijf jaar, namelijk op 30 december 2004, is de vordering van DSB ingediend bij de bewindvoerder in het kader van de schuldsanering en door de bewindvoerder (voorlopig) erkend. Dit leidt tot stuiting van de verjaring. De schuldsanering is omgezet in een faillissement, dat is opgeheven in juli 2006, zodat vanaf die datum een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. Blijkens de overgelegde stukken is [gedaagde] binnen 5 jaar daarna, namelijk bij brief van 27 september 2010 (productie bij dagvaarding) namens DSB gesommeerd tot voldoening van de vordering over te gaan.

 

4.4. [gedaagde] stelt vervolgens dat zij er op mocht vertrouwen dat ze met de betaling die zij medio 2010 gedaan heeft finale kwijting van DSB zou verkrijgen. DSB heeft haar misleid door haar pas na die betaling met een tweede vordering te confronteren. Deze stelling van [gedaagde] kan niet worden gevolgd. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de hierboven onder 2.2. en 2.3. genoemde brieven, blijkt dat bij de bewindvoerder in de schuldsanering twee verschillende kenmerken van DSB-vorderingen bekend waren. Deze kenmerken betreffen, zoals [gedaagde] ook onderkent, de twee te verschillende kredietovereenkomsten.

Dat [gedaagde] zich ten tijde van de schuldsanering of de betaling aan het deurwaarderskantoor mogelijk niet heeft gerealiseerd dat zij twee kredietovereenkomsten met DSB had gesloten kan niet aan DSB worden tegengeworpen. DSB heeft wel ten aanzien van beide overeenkomsten met de bewindvoerder gecorrespondeerd, zodat de curatoren niet kan worden verweten dat de huidige vordering pas ter hand is genomen nadat ten aanzien van de andere kredietovereenkomst betaling was verkregen.

 

4.5. Over de overeenkomst met nummer ..[nummer] is, naar [gedaagde] stelt, een procedure gevoerd bij de rechtbank Zwolle-Lelystad die tot een vonnis heeft geleid. Uit de onder 2.6 genoemde brief en de daarin vermelde kostenstaat valt duidelijk op te maken dat de daarin genoemde vordering betrekking heeft op een hoofdsom waarover een procedure is gevoerd. Dat deze brief ook betrekking zou (kunnen) hebben op een andere vordering dan die met betrekking tot de overeenkomst met nummer ..[nummer] is zonder verdere uitleg niet begrijpelijk. In elk geval blijkt niet dat [gedaagde] door betaling van het in die brief genoemde eindbedrag ook kwijting zou (kunnen) verkrijgen voor de vordering uit de overeenkomst met nummer ..[nummer].

 

4.6. De omstandigheid dat de schuldsanering – naar de mening van [gedaagde] – ten onrechte tussentijds is beëindigd en dat DSB een lager bedrag zou hebben ontvangen en geen vorderingsrecht meer zou hebben gehad als [gedaagde] bij het volmaken van de schuldsanering een schone lei had kunnen verkrijgen, kan niet voor rekening van de curatoren worden gebracht. Het beëindigen van de schuldsanering is immers niet aan hen (of DSB) te wijten. Dat de onterechte beëindiging van de schuldsanering [gedaagde] in (financiële) problemen heeft gebracht, zoals zij stelt, komt – in elk geval in de verhouding met DSB – voor haar risico en brengt de vordering van de curatoren niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

 

4.7. [gedaagde] heeft de hoogte van de vordering slechts bij gebrek aan wetenschap betwist. Na overlegging door de curatoren van het mutatieoverzicht (productie 1 bij conclusie van repliek/antwoord) heeft [gedaagde] nader verweer gevoerd, waarbij zij er op wijst dat uit het overzicht volgt dat DSB op de vordering € 4.557,06 heeft afgeboekt, zodat slechts een vordering van € 506,35 resteert. De curatoren stellen hieromtrent dat het echte aanpassing van de vordering is geweest, maar slechts een administratieve, interne voorziening vanwege het niet ontvangen van betalingen.

Deze uitleg kan worden gevolgd. Uit het overzicht blijkt ook, dat de afwaardering van de vordering alleen in de periode van juli 2005 tot december 2007 heeft plaatsgevonden, waardoor het aannemelijk is dat dit samen hing met de periode van schuldsanering en faillissement en dat, na opheffing van het faillissement, ook de daarvoor getroffen voorziening is weggevallen. Nu de hoogte van de vordering voor het overige niet bestreden is, kan deze worden toegewezen, evenals de daarover gevorderde rente, waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.

 

4.8. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij ook worden veroordeeld in de proceskosten in conventie, die tot op heden aan de zijde van de curatoren worden vastgesteld op:

€ 95.81 dagvaardingskosten

€ 258,00 vast recht

€ 768,00 salaris advocaat (2 punten x tarief I)

€ 1.121,81 in totaal.

 

4.9. De vordering in reconventie kan, gelet op het voorgaande, niet worden toegewezen. [gedaagde] zal ook in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld, die tot op heden aan de zijde van de curatoren worden vastgesteld op € 384,00 (2 punten x tarief I x 0,5).

 

5. De beslissing

De rechtbank

 

in conventie

 

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan de curatoren te betalen een bedrag van € 7.347,73, vermeerderd met de overeengekomen rente van thans effectief 0% op jaarbasis, met als maximum de krachtens art. 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, over het toegewezen bedrag met ingang van 18 januari 2011 tot de dag van volledige betaling,

 

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren tot op heden vastgesteld op € 1.121,81,

 

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

 

in reconventie

 

5.4. wijst de vordering af

 

5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curatoren tot op heden vastgesteld op € 384,00,

 

5.6. verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.