LJN: BY6170, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 1099336 CV EXPL

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector kanton-Locatie Gouda

Zaak/rolnummer: 1099336 CV EXPL 11-2926
Datum: 29 november 2012

VONNIS in de zaak:

[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: Consumentenclaim B.V.;

tegen

de naamloze vennootschap
ASR Levensverzekering N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
gemachtigde mr. S.Y.Th. Meijer,

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “ASR”.

1.Procedure

1.1.De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
– de dagvaarding van 1 september 2011, met vijftien producties,
– de rolbeslissing van de kantonrechter van 3 november 2011,
– de akte overlegging producties van 1 december 2011, met drie producties,
– de conclusie van antwoord, met negentien producties,
– de conclusie van repliek, met zeven producties,
– de conclusie van dupliek.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.[eiseres] heeft per 1 juli 1995 een beleggingsverzekering met polisnummer [nummer] (hierna: het Levensplan) afgesloten bij de rechtsvoorganger van ASR, Falcon Leven N.V. (hierna eveneens aangeduid als ASR). Het Levensplan betreft een levensverzekering waarbij, enerzijds, door middel van belegging een kapitaal wordt opgebouwd gedurende de looptijd van de verzekering, terwijl anderzijds een overlijdensuitkering van 110% van het opgebouwd kapitaal wordt verzekerd. Het Levensplan is tot stand gekomen door bemiddeling van D.E.G. Europe als intermediair.

2.2.Voor de totstandkoming van het Levensplan heeft [eiseres] een ‘aanvraagformulier voor LevensPlan Sparen’ ondertekend. In dit aanvraagformulier staat – voor zover van belang – vermeld dat de premie NLG 231,- per maand dient te bedragen, dat er een aanvullende koopsom van NLG 2.300,- zal worden gestort en onder het kopje “Beleggingskeuze” is ingevuld: 50% in Nederlandse aandelen en 50% in Purple. Bovenaan het aanvraagformulier is – voor zover leesbaar – handgeschreven vermeld “bedrijfssparen”.

2.3.In de nadien toegezonden offerte van de zijde van ASR staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“Ingangsdatum:  01 juli 1995
Einddatum:  01 juli 2015

Uitkering(en) na overlijden van de verzekerde
Na overlijden van de verzekerde vóór 1 juli 2015 wordt uitgekeerd: 110% van de waarde van de units

Resultaten op de einddatum
Bij in leven zijn van de verzekerde op 01 juli 2015 bedraagt:
– de uitkering bij 10,00% prognose:  fl. 132.279,-

Premie plus aanvullende koopsom
De premie (…):   fl. 231,- per maand,
Eenmalige koopsom:  fl. 2.300,-

Toelichting
Prognose
De in de offerte vermelde prognose-uitkering is berekend op basis van een veronderstelde jaarlijkse stijging van de unitkoers van de cumulerende units van 10,00%.”

2.4.Op het door ASR aan [eiseres] verstrekte polisblad staat onder meer het volgende vermeld:

“BELEGGINGEN (Zie Sectie C)

1) Premiebestemming

Fonds        % van de premie
Nederlandse Aandelen      50%
Purple Star (vastrentende waarden en aandelen)  50%

UITKERINGEN (Zie Sectie C.5 en Sectie D)
Uitkering op de berekeningsdatum
Bij in leven zijn van [[eiseres]] op de berekeningsdatum1 zal de waarde van de dan aanwezige units worden uitgekeerd aan de betreffende begunstigde(n) zoals aangegeven op aanhangsel 3.

Overlijdensdekking verzekerde I
110% van de waarde van de aan deze polis toegewezen units tegen biedkoers is verschuldigd na overlijden van [[eiseres]] vóór de berekeningsdatum en wordt uitgekeerd aan de begunstigde(n) zoals aangegeven op aanhangsel 3.

BIJZONDERHEDEN
1) WERKNEMERSSPAARREGELING
De premie voor deze verzekering wordt geheel of gedeeltelijk voldaan uit hoofde van een werknemersspaarregeling (een premiespaarregeling of een spaarloonregeling). Deze verzekering mag daarom niet worden beleend of tot zekerheid van een geldlening in pand worden gegeven (…).”

2.5.Op het Levensplan zijn de algemene voorwaarden AV 1995 van toepassing. In de AV 1995 is onder meer het volgende bepaald.
“Definities
LevensPlan
Een levenslange overeenkomst van een flexibele levensverzekering op basis van units (beleggingseenheden).

3. Omvang van het LevensPlan
De premies c.q koopsom(men) (Sectie B – premies) zijn verschuldigd door de verzekeringnemer en zijn volledig bestemd voor aankoop van toe te wijzen units tegen de verkoopkoers in het (de) toegewezen c.q. door de verzekeringnemer gekozen fonds(en) (Sectie C – beleggingen); kosten voor gekozen uitkeringen (Sectie D – uitkeringen) en overige kosten (Sectie E – kosten) worden verkregen door het royeren van units tegen biedkoers.

Sectie C – Beleggingen
2. Premiebestemming
Honderd procent van de ontvangen premie(s) wordt aangewend voor het bepalen van de toe te wijzen units in het (de) toegewezen c.q. door de verzekeringnemer gekozen fonds(en). Toewijzing van units zal plaatsvinden op basis van verkoopkoers van het (de) betrokken fonds(en). Gedurende de basisperiode worden de verschuldigde premies aangewend voor toewijzing van basisunits in de gekozen fondsen. Na de basisperiode worden de premies aangewend voor toewijzing van cumulerende units. Voor een eventuele premieverhoging geldt, vanaf het moment van de verhoging, een nieuwe basisperiode. Aan (aanvullende) koopsommen worden, na verrekening van 4% kosten, direct cumulerende units toegewezen.

6. Fondsen
a. Voor alle beschikbaar gestelde fondsen met uitzondering van Silver Star fondsen zijn de volgende bepalingen van toepassing:

1. Op de waarde van ieder fonds kunnen beheerskosten in mindering worden gebracht tot maximaal 1,5% per jaar.

5. De verkoopkoers van iedere cumulerende unit zal door de maatschappij worden bepaald en zal niet groter zijn dan de maximumwaarde van het desbetreffende fonds, gedeeld door het aantal op het fonds betrekking hebbende units, vermenigvuldigd met de factor 100/95. Afronding vindt plaats naar boven tot maximaal 1%.

6. De biedkoers van iedere cumulerende unit zal door de maatschappij worden bepaald en zal niet minder zijn dan de minimumwaarde van het desbetreffende fonds, gedeeld door het aantal op het fonds betrekking hebbende units. Afronding vindt plaats naar beneden tot maximaal 1%.

8. De verkoop- en biedkoersen van iedere basisunit zijn afgeleid van hun laatst berekende koersen, de evenredige verandering in de desbetreffende koersen van de cumulerende unit in hetzelfde fonds, alsmede aanvullende administratiekosten tegen een tarief van maximaal 4% op jaarbasis.

Sectie E – Kosten

1. Naast de poliskosten zijn er kosten verschuldigd voor alle uitkeringen. Deze kosten worden aan het begin van iedere maand verrekend door proportioneel royement van cumulerende units tegen biedkoers van het (de) betrokken fonds(en). Een eventueel tekort wordt verrekend door proportioneel royement van basisunits van het (de) betrokken fonds(en).

4. Tevens worden bij overige overlijdensuitkeringen – indien deze, verhoogd met het equivalent van de verzekerde rente(n), groter zijn dan de waarde van de bij de polis behorende units op basis van de biedkoers – over het verschil kosten in rekening gebracht volgens het tarief zoals vastgelegd in appendix 1.

Sectie F – Afkoop en premievrijmaking/onverminderde voortzetting

1. Gedeeltelijke afkoop

De verzekeringnemer kan op de bij de maatschappij gebruikelijke voorwaarden op ieder gewenst tijdstip geheel of gedeeltelijk de bij de polis behorende cumulerende units verzilveren tegen biedkoers. Het verzekerde kapitaal bij overlijden van de verzekerde(n) zal op dat moment minimaal worden verlaagd met een bedrag gelijk aan de tegen de biedkoers verzilverde units.

Sectie K – Slotbepalingen

4. Tussentijdse aanpassing

Indien de maatschappij het redelijk en billijk acht kunnen de poliskosten worden gewijzigd.”

2.6.In Appendix 1, behorende bij de AV 1995, is uiteengezet hoeveel de kosten per maand per NLG 100.000,- overlijdenskapitaal bedragen. Appendix 2, eveneens behorende bij de AV 1995, bevat een tabel voor de vaststelling van de afkoopwaarde.

2.7.Het Levensplan heeft een looptijd van twintig jaar en is ingegaan op 1 juli 1995. [eiseres] heeft voor het Levensplan een éénmalige koopsom gestort van NLG 2.300,-
(€ 1.043,69). De maandelijkse premie bedroeg bij aanvang van het Levensplan NLG 231,-
(€ 104,82) per maand. [eiseres] heeft de premie in latere jaren een aantal keren aangepast van € 104,82 naar € 45,38 en weer terug. Daarnaast heeft zij in het jaar 1997 een aanvullende koopsom gestort van € 539,54 en in het jaar 2002 een bedrag van € 3.448,26 onttrokken en in het jaar 2011 een bedrag van € 2.000,-.

2.8.[eiseres] ontvangt jaarlijks een door ASR opgesteld jaaroverzicht. In de jaaroverzichten van 1996 tot en met 2007 “oude stijl” zijn in het kostenoverzicht de volgende posten opgenomen: (a) verschil verkoop/biedkoers, (b) poliskosten en (c) overlijdensdekking. In 1997 is naar aanleiding van de nieuw gestorte koopsom ook een bedrag wegens investering koopsom bij de kosten opgenomen. De kosten variëren merendeels tussen de € 85 en € 125,-.

2.9.In het jaaroverzicht van 2006 t/m 2007 zijn de volgende kosten opgenomen:
– Verschil verkoop/biedkoers  € 27,23
– Poliskosten    € 54,46
– Overlijdensdekking  € 9,53
Totaal € 91,22

2.10.Naar aanleiding van het advies van de Commissie De Ruiter in 2006 hebben de verzekeraars hun informatie over de door hen ingehouden kosten verbeterd. Op 21 februari 2008 heeft [eiseres] van ASR opnieuw een jaaroverzicht ontvangen over 2006/2007 (hierna aangeduid als: het De Ruiter-overzicht), waarin de volgende kosten zijn vermeld:

“Hiervan trekken wij het volgende af:
opname / gedeeltelijke afkoop        €   0,00
premies overlijdensrisicodekking      €   9,53
premies arbeidsongeschiktheidsdekking      €   0,00
premie verzekerd garantiebedrag      €   0,00
kosten verzekeringsmaatschappij (eerste kosten en
doorlopende kosten)        €  173,16
kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur      €  135,13
Totaal  €  317,82”
2.11.In de toelichting bij dit jaaroverzicht heeft ASR onder meer aan [eiseres] geschreven:

“Een nieuw jaaroverzicht
Vanaf 1 januari 2008 gelden nieuwe wettelijke regels voor het jaaroverzicht. Het Verbond van Verzekeraars heeft hiervoor een vaste indeling voorgeschreven die geldt voor alle verzekeringsmaatschappijen (…). Er is een verschil tussen het oude jaaroverzicht en het nieuwe jaaroverzicht. Door de voorgeschreven indeling van het nieuwe jaaroverzicht zijn premies en kosten anders ingedeeld. Wij verwerken in het oude jaaroverzicht bijvoorbeeld enkele premies en kosten in het onderdeel “Waarde daling/stijging”.

Over welke periode ontvangt u het nieuwe jaaroverzicht?
Het bijgaande jaaroverzicht gaat over dezelfde periode (2006-2007) als het overzicht dat u al in 2007 heeft ontvangen. Alleen de indeling is aangepast (…).”

2.12.Bij brief van 17 juni 2011 heeft Consumentenclaim B.V. namens [eiseres] de per 1 juli 1995 gesloten verzekeringsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling en overigens ASR aansprakelijk gesteld op grond van wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en eventuele overige gronden.

2.13.ASR heeft bij brief van 20 juni 2011 betwist dat sprake is van dwaling en ontkend op enigerlei wijze aansprakelijk te zijn.

2.14.Bij brief van 22 december 2011 heeft ASR aan [eiseres] bericht dat zij op grond van de ASR Compensatieregeling een bedrag van € 1.834,09 verkrijgt als eenmalige vergoeding voor het in rekening brengen van te hoge kosten in het verleden. Dit bedrag is op 1 oktober 2011 in de beleggingsverzekering gestort. Daarnaast zal zij, zolang zij premie betaalt, jaarlijks een vergoeding voor te hoge kosten ontvangen van € 73,80. Tot slot biedt ASR [eiseres] de mogelijkheid om naar een ander product over te stappen of de huidige verzekering te wijzigen.

3.Vordering

3.1.[eiseres] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het volgende van ASR:

Primair
I. een verklaring voor recht dat de overeenkomst met polisnummer [nummer] rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd op grond van dwaling;
II. veroordeling van ASR tot terugbetaling van de door [eiseres] betaalde inleg in de polis, vermeerderd met rente;
III. een verklaring voor recht dat ASR toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiseres], althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld;
IV. veroordeling van ASR tot betaling van misgelopen rendement over de inleg in de polis, welk rendement wordt gesteld op 3,5% per jaar, althans op een in goede justitie te bepalen percentage, vermeerderd met rente;

Subsidiair
I. een verklaring voor recht dat ASR toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiseres] en/of onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld;
II. ontbinding van de overeenkomst met polisnummer [nummer];
III. veroordeling van ASR tot terugbetaling van de door [eiseres] betaalde inleg in de polis en het door [eiseres] misgelopen rendement, welk rendement wordt gesteld op 3,5% per jaar, althans op een in goede justitie te bepalen percentage, vermeerderd met rente;

Meer subsidiair
I. een verklaring voor recht dat ASR toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiseres] en/of onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld;
II. veroordeling van ASR tot betaling van de door [eiseres] geleden schade, bestaande uit de door [eiseres] betaalde inleg minus de waarde op dit moment, vermeerderd met het door [eiseres] misgelopen rendement over de inleg in de polis, welk rendement wordt gesteld op 3,5% per jaar, althans op een in goede justitie te bepalen percentage, vermeerderd met rente;
III. veroordeling van ASR tot medewerking aan het beëindigen van de polis, zonder dat aan [eiseres] kosten voor de beëindiging in rekening moeten worden gebracht, dan wel dat nog niet betaalde kosten worden verrekend.

Primair als subsidiair als meer subsidiair

I. een verklaring voor recht dat ASR [eiseres] heeft misleid;
II. veroordeling van ASR in de proceskosten met nakosten en rente.

3.2.[eiseres] heeft aan haar vordering – kort gezegd – de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
– ASR heeft haar onvoldoende en onjuist voorgelicht over de aard, de risico’s en de kosten van het Levensplan, waaronder het te verwachten eindkapitaal;
– ASR heeft haar vooraf niet gewaarschuwd voor specifieke risico’s;
– ASR heeft vooraf onvoldoende informatie over [eiseres] ingewonnen;
– ASR heeft kosten ingehouden waarvoor geen contractuele grondslag bestond;
– ASR heeft haar misleid en ook aldus onrechtmatig jegens haar gehandeld.
Als gevolg hiervan heeft [eiseres] een Levensplan afgesloten met een verkeerde voorstelling van zaken. Een en ander levert een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad jegens haar op. Volgens [eiseres] rustte er op ASR een bijzondere effectentypische zorgplicht en is ASR in de daaruit voortvloeiende verplichtingen (eveneens) tekort geschoten.
3.3.ASR heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Beoordeling

Bevoegdheid
4.1.Partijen hebben de zaak ter behandeling en beslissing voorgelegd aan de kantonrechter. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het beloop van de vordering van [eiseres] het bedrag van € 25.000,- niet zal overstijgen,2 zal de kantonrechter de zaak zelf afdoen.

Verjaring
4.2.ASR heeft als meest verstrekkend verweer naar voren gebracht dat de vorderingen van [eiseres] zijn verjaard. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.
– dwaling
4.3.Op grond van art. 3:52 BW geldt dat in geval van dwaling de rechtsvordering tot vernietiging verjaart drie jaren nadat de dwaling is ontdekt. Volgens deze bepaling begint de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging op grond van dwaling te lopen, als de dwaling is ontdekt. Volgens vaste rechtspraak is daarvoor een daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid vereist met de feiten en omstandigheden waarop het beroep op dwaling is gegrond, zij het dat een absolute zekerheid omtrent die feiten niet vereist is doch een redelijke mate van zekerheid daaromtrent volstaat.

4.4.[eiseres] doet haar vordering tot vernietiging wegens dwaling primair steunen op het feit dat haar bij het afsluiten van het Levensplan door ASR een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven ten aanzien van de kosten die ter zake van het Levensplan worden ingehouden en als gevolg daarvan van de kapitalen die kunnen worden opgebouwd. Daarnaast stelt zij onvoldoende te zijn voorgelicht over het feit dat het hier mede om een beleggingsproduct ging en niet te zijn gewaarschuwd over de specifieke risico’s die daardoor aan het product waren verbonden.

4.5.De kantonrechter is van oordeel dat voor zover [eiseres] de dwaling doet steunen op het feit dat in de verzekering een beleggingscomponent aanwezig is, de vordering is verjaard. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat [eiseres] blijkens het aanvraagformulier zelf een keuze heeft gemaakt om voor 50% te beleggen in Nederlandse aandelen en voor 50% in Purple. In de bewoordingen in de overige contractsdocumentatie (offerte, polis en algemene voorwaarden) is voorts meermalen vermeld dat de gelden van [eiseres] in aandelen zullen worden belegd. Daaruit volgt dat het voor [eiseres] tijdens, althans kort na, het sluiten van de overeenkomst in 1995 duidelijk moet zijn geweest dat het hier om een beleggingsverzekering ging. Dat aan beleggen in het algemeen risico’s kleven en derhalve ook aan dit product, moet haar ten minste duidelijk zijn geworden toen er blijkens de aan haar toegezonden jaaroverzichten van 2000/2001 en 2001/2002 een negatief rendement werd behaald. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit dat zij in elk geval in het jaar 2003 geacht moet worden in voldoende mate bekend te zijn geweest met de feiten waarop haar beroep op dwaling is gebaseerd. Dat betekent dat een beroep op dwaling wegens onvoldoende inlichting over het beleggingscomponent in de verzekering en de daaraan verbonden risico’s op zijn laatst begin 2006 is verjaard.

4.6.Met betrekking tot de vraag wanneer [eiseres] daadwerkelijke bekendheid kreeg met de feiten en omstandigheden, leidend tot haar beroep op dwaling met betrekking de aan de beleggingsverzekering verbonden kosten en het daarin op te bouwen kapitaal, overweegt de kantonrechter het volgende.

4.7.Volgens de stellingen van [eiseres] verkreeg zij eerst nadat haar in februari 2008 het De Ruiter-overzicht was toegezonden, inzicht in het feit dat meer kosten werden ingehouden dan zij tot dan toe op grond van de jaaroverzichten had aangenomen. Daarnaast stelt zij dat zij telefonisch contact heeft opgenomen met haar tussenpersoon, naar aanleiding van het haar op 14 juni 2008 toegezonden jaaroverzicht. Vervolgens heeft zij begin juli van dat jaar verzocht om informatie over het stopzetten van de verzekering en op 10 juli 2008 haar kritiek over de hoogte van de door de verzekeraar in rekening gebrachte kosten en het gebrek aan voorlichting daarover bij het sluiten van de verzekering voorgelegd aan de Ombudsman Financiële Dienstverlening.

4.8.De kantonrechter leidt uit het voorgaande af dat voor zover [eiseres] heeft gedwaald – ASR heeft dit betwist – over het feit dat door ASR meer kosten werden ingehouden dan zij, [eiseres], tot dan toe had aangenomen, zij in elk geval daarmee bekend werd in februari 2008 door het De Ruiter-overzicht. Aan deze wetenschap doet niet af dat zij op dat moment nog niet kon overzien wat de (juridische) gevolgen van deze wetenschap waren voor de tussen haar en ASR bestaande overeenkomst en/of wat de omvang van de eventuele schade zou zijn. Overigens blijkt uit het feit dat zij naar aanleiding van het haar op 14 juni 2008 toegezonden jaaroverzicht contact heeft opgenomen met de tussenpersoon en later de Ombudsman, dat zij zich in elk geval op 14 juni 2008 bewust is geworden van de mogelijke negatieve gevolgen van de hoge kosteninhoudingen voor haar. Toepassing van art. 3:52 BW brengt in elk geval mee dat [eiseres] op zijn laatst in februari 2008 in voldoende mate bekend was met de feiten waarop haar beroep op dwaling ten aanzien van de kosteninhoudingen is gebaseerd. Dat betekent dat een beroep op dwaling op deze grondslag is verjaard in februari 2011. Op het moment dat de Consumentenclaim B.V. bij brief van 17 juni 2011 namens [eiseres] de op 1 juli 1995 gesloten overeenkomst vernietigde, was deze vordering derhalve reeds verjaard en kon deze dus niet (meer) worden ingeroepen.
– tekortkoming en/of onrechtmatige daad
4.9.Op grond van art. 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Hier geldt dat de verjaringstermijn een aanvang neemt op het moment dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon.

4.10.De kantonrechter is van oordeel dat voor zover [eiseres] haar vordering tot schadevergoeding doet steunen op het feit dat in de verzekering een beleggingscomponent aanwezig is, hetzelfde geldt als hiervoor ten aanzien van de dwaling is opgemerkt. [eiseres] kan in elk geval in het jaar 2003 geacht worden in voldoende mate bekend te zijn geweest met de door haar gestelde schade, nu zij op dat moment geacht moet worden in voldoende mate bekend te zijn geweest zowel met het feit dat zij een beleggingsverzekering had afgesloten als met het feit dat zij daardoor risico liep op een negatief rendement. Deze vordering tot schadevergoeding moet derhalve geacht worden te zijn verjaard op zijn laatst begin 2008. Uit het feit dat deze vordering reeds is verjaard, volgt ook dat het mede daaraan ten grondslag liggende betoog van [eiseres] dat op ASR een effectentypische zorgplicht rust en dat deze door ASR werd geschonden, buiten beschouwing wordt gelaten.

4.11.Met betrekking tot de vraag wanneer [eiseres] daadwerkelijke bekendheid kreeg met de door haar gestelde schade als gevolg van de kosteninhoudingen en het daardoor veroorzaakte lagere rendement van de beleggingsverzekering overweegt de kantonrechter dat als juist is, hetgeen hierna zal worden beoordeeld, dat [eiseres] eerst door de ontvangst van het De Ruiter-overzicht in februari 2008 op de hoogte raakte van de kosteninhoudingen en daarmee bekendheid kreeg met de schade, de vordering tot schadevergoeding niet is verjaard, nu de verjaringstermijn vijf in plaats van drie jaren bedraagt. In dat geval heeft te gelden dat op het moment dat Consumentenclaim B.V. namens [eiseres] ASR bij brief van 17 juni 2011 aansprakelijk stelde voor de door haar veroorzaakte schade en de dagvaarding op 1 september 2011 werd uitgebracht, de vordering tot schadevergoeding niet was verjaard. Datzelfde geldt overigens op de voet van art. 3:311 BW ook voor de in het petitum door [eiseres] opgenomen vordering tot ontbinding.

4.12.De conclusie luidt derhalve dat de vordering van [eiseres] tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling is verjaard, evenals de vordering tot vergoeding van schade wegens het verschaffen van onvoldoende inlichtingen over het beleggingscomponent in de verzekering. Niet verjaard is de vordering tot schadevergoeding en ontbinding van de overeenkomst voor zover deze berust op de stelling van [eiseres] dat zij niet vóór de ontvangst van het De Ruiter-overzicht kon weten dat ASR meer kosten inhield dan vermeld op de oude jaaroverzichten, met een laag rendement tot gevolg. De juistheid van deze stelling, die samenvalt met het betoog van [eiseres] dat ASR haar voorafgaand aan en tijdens de tussen partijen gesloten overeenkomst, onvoldoende heeft geïnformeerd over de kosteninhoudingen en de gevolgen daarvan op het rendement, zal hierna worden beoordeeld.

Contractuele grondslag kosten
4.13.[eiseres] verwijt ASR in de eerste plaats dat ASR kosten heeft ingehouden die tussen partijen niet zijn overeengekomen. [eiseres] betoogt dat uit de AV 1995 niet meer kan worden afgeleid dan dat ASR aan- en verkoopkosten inhoudt, beheerskosten van maximaal 1,5%, poliskosten en kosten overlijdensrisicoverzekering. Met uitzondering van de beheerskosten werden deze kosten ook vermeld in de jaaroverzichten van 1996 tot en met 2007 “oude stijl”, en wel als: “verschil verkoop/biedkoers”, “poliskosten” en “overlijdensdekking”. Uit het De Ruiter-overzicht dat haar werd toegezonden, bleek [eiseres] vervolgens dat ASR meer kosten had ingehouden dan ASR tot dan toe in de jaaroverzichten had vermeld en dan waar [eiseres] van was uitgegaan. [eiseres] leidt hieruit af dat ASR deze hogere kosten kennelijk ten laste heeft gebracht van het beleggingsresultaat. Volgens [eiseres] ontbreekt voor deze extra kosten evenwel een contractuele grondslag.

4.14.ASR bevestigt dat de in rekening gebrachte kosten in de De Ruiter-overzichten dezelfde kosten zijn als die welke in rekening werden gebracht in de overzichten “oude stijl”. Het totaal van de in rekening gebrachte kosten volgens het ene of andere overzicht is gelijk. Het verschil is slechts dat de kosten op een andere manier inzichtelijk zijn gemaakt; er zijn niet meer kosten in rekening gebracht dan voorheen. Volgens ASR zijn in het De Ruiter-overzicht naast de kosten uit de oude overzichten, nu ook de administratiekosten expliciet gemaakt. Deze kosten werden voorheen niet vermeld. Onder deze kosten valt ook de vergoeding aan de tussenpersoon, die in het De Ruiter-overzicht apart moest worden vermeld. Op het De Ruiter-overzicht is deze vergoeding opgenomen onder de vermelding “kosten bemiddelaar of verzekeringsadviseur”. De overige kosten (verschil verkoop/biedkoers, poliskosten, administratiekosten van de verzekeraar) zijn volgens ASR in het De Ruiter-overzicht gezamenlijk vermeld onder “kosten verzekeringsmaatschappij”. ASR bestrijdt dat de administratiekosten, hoewel deze voorheen niet expliciet werden gemaakt, geen contractuele grondslag hebben. ASR verwijst daarvoor naar Sectie C, art. 6.a.8 AV 1995.

4.15.Op grond van de stellingen van partijen staat vast dat er een contractuele grondslag bestaat voor de aan-en verkoopkosten (in de jaaroverzichten aangeduid als verschil verkoop/biedkoers), de poliskosten, de premie overlijdensrisicodekking en de beheerskosten, waarbij [eiseres] volgens de kantonrechter terecht opmerkt dat deze kosten noch in het oude jaaroverzicht noch in het De Ruiter-overzicht expliciet worden vermeld en dus kennelijk nog altijd in de waarde van de basisunits (beleggingen) worden verwerkt. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of er een contractuele grondslag is voor de administratiekosten.

4.16.Volgens ASR ligt de grondslag voor het in rekening brengen van de adminstratiekosten in sectie C, art. 6.a.8. AV 1995. De kantonrechter stelt vast dat in dit artikel de administratiekosten van 4% worden genoemd als onderdeel van de door de verzekeraar vastgestelde verkoop- en biedkoers van de basisunits. Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat in deze bepaling niet expliciet wordt vermeld dat de verzekeringnemer administratiekosten verschuldigd is, blijkt uit deze bepaling wel dat de verzekeraar zichzelf het recht toekent om bij de bepaling van de waarde van de basisunits administratiekosten in rekening te brengen. Daardoor kan niet gezegd worden dat deze kosten onvermeld zijn gebleven en er geen contractuele grondslag is voor het in rekening brengen van deze kosten. De kantonrechter verwerpt dan ook het daartoe strekkende betoog van [eiseres].

4.17.Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door ASR in het De Ruiter-overzicht in rekening gebrachte kosten een contractuele grondslag hebben in de AV 1995.

Informatieplicht
4.18.[eiseres] verwijt ASR in de tweede plaats dat ASR haar bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst onvoldoende heeft geïnformeerd over de omvang van alle in rekening gebrachte kosten, waardoor haar, zonder dat zij dat wist, onevenredig hoge kosten in rekening zijn gebracht en waardoor haar onvoldoende inzicht is geboden op het werkelijke (veel lagere) rendement van de beleggingsverzekering. ASR heeft dit betoog bestreden met – samengevat – de volgende stellingen:
a) Informatie over de hoogte van de kosten kon niet worden verstrekt, omdat deze afhing van de waarde van het fonds, die fluctueerde.
b) ASR heeft indirect transparantie verschaft van de kosten door aan [eiseres] in de offerte een rekenvoorbeeld te geven waarop werd vermeld welk kapitaal bij een bepaalde premie en een bepaald voorbeeldrendement aan het einde van de looptijd kon worden bereikt (NLG 132.279,- met een premie van NLG 231,- per maand plus eenmalige koopsom van NLG 2.300,- en bij een jaarlijkse stijging van de unitkoers van de cumulerende units van 10%). In dit rekenvoorbeeld zijn de overlijdensrisicopremies en de kosten inbegrepen.
c) ASR was op grond van de toenmalige regelgeving niet gehouden meer informatie te verstrekken dan zij heeft gedaan.

– omvang informatieplicht
4.19.Voor de beoordeling van de vraag of ASR jegens [eiseres] is tekortgeschoten door [eiseres] bij de totstandkoming van de overeenkomst onvoldoende te informeren over de kosten, moet in de eerste plaats worden vastgesteld of, en in welke mate, er een verplichting op ASR rustte om haar aspirant-verzekeringnemer van informatie te voorzien.

4.20.ASR heeft betoogd dat op grond van de toenmalige regelgeving haar informatieplicht jegens [eiseres] was beperkt tot het verstrekken van die inlichtingen die op grond van het bij het sluiten van de beleggingsverzekering geldende art. 2 van de Regeling informatieverstrekking verzekeringnemers 1994, Stcrt. 1994, nr. 97 (Riav 1994) dienden te worden verstrekt. Nu op grond van de daarin opgenomen informatievoorschriften geen inlichtingen moesten worden verschaft over het rendement van de beleggingsverzekering, het risico en de kosten, was ASR daartoe volgens haar niet gehouden. Een ruimere informatieplicht kan volgens ASR niet worden aangenomen, omdat de Riav 1994 (via art. 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993) dient ter uitvoering van art. 31 van de Derde levensrichtlijn (Richtlijn 92/96/EEG) met de daarbij behorende Bijlage II, onder A, respectievelijk B (PB L-360 van 9.12.1992, blz. 1-27). Volgens ASR volgt uit art. 31, lid 3, Derde levensrichtlijn dat de wetgever van de verzekeraars niet mag verlangen dat zij nog aanvullende gegevens naast de in Bijlage II vermelde gegevens verstrekken en is – mede omdat de wetgever geen gebruik heeft gemaakt van de in het derde lid genoemde uitzondering – de lijst van Bijlage II en door omzetting van deze lijst in de Riav 1994 ook de daarin opgenomen lijst limitatief en kan de rechter niet op basis van de open normen van het nationale privaatrecht tot een ruimere informatieplicht komen.

4.21.Dit standpunt van ASR is onjuist. De Europese achtergrond van de Riav 1994 leidt ertoe dat bij de toepassing daarvan rekening moet worden gehouden met de bedoeling van de Europese wetgever. Deze blijkt uit de desbetreffende bepalingen in de richtlijn en uit de overwegingen bij de richtlijn. De bewoordingen van art. 31, lid 3, Derde levensrichtlijn dwingen niet tot een beperkte uitleg als door ASR betoogd. Bovendien volgt uit meerdere overwegingen bij de Derde levensrichtlijn dat de Europese wetgever een minimumharmonisatie heeft beoogd en ten aanzien van het toepasselijk recht, het nationale recht geenszins uitsluit. Dit volgt met name uit de volgende overwegingen:

“(19) Overwegende dat de harmonisatie van het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten geen prealabele voorwaarde is voor de totstandbrenging van de interne verzekeringsmarkt; dat derhalve de aan de Lid-Staten gelaten mogelijkheid om verzekeringsovereenkomsten die op hun grondgebied aangegane verbintenissen behelzen, onder toepassing van hun recht te doen vallen, voldoende waarborgen biedt voor verzekeringnemers; (…)

(23) Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversificeerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te cooerdineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst; (…)”

4.22.Uit art. 31, lid 3, van de Derde levensrichtlijn in combinatie met de hiervoor geciteerde overwegingen, volgt dus dat de richtlijn er niet aan in de weg staat om aanvullende gegevens te eisen naast die welke in de richtlijn zelf zijn voorgeschreven, voor zover die gegevens nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis. Nu de kosten, met name die genoemd in sectie C van de AV 1995, van invloed zijn op het door [eiseres] te behalen rendement en daardoor mede bepalend zijn voor het redelijkerwijs te verwachten bedrag van de uitkering, behoren zij naar het oordeel van de kantonrechter tot de essentiële prestaties van de overeenkomst en is derhalve voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van deze beleggingsverzekering noodzakelijk dat de verzekeraar deze kosten uitdrukkelijk en begrijpelijk formuleert. Volgens diezelfde regelgeving had ASR dit aan [eiseres] kenbaar moeten maken voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst, althans op een zodanig tijdstip dat [eiseres] zich nog aan de overeenkomst had kunnen onttrekken.

– beoordeling van de informatie
4.23.Bij de beoordeling van de vraag of de door ASR bij de totstandkoming van de overeenkomst aangeboden informatie over de kosten toereikend was voor een goed begrip bij [eiseres] van het aangeboden product, neemt de kantonrechter in aanmerking dat de informatie over de kosten begrijpelijk moet zijn voor een niet ter zake deskundige, doch oplettende en aandachtige consument. Uitgaande van die maatstaf overweegt de kantonrechter het volgende.

4.24.Uit de door partijen overgelegde contractsdocumentatie blijkt dat noch in de offerte, noch in het aanvraagformulier, noch in de polis het begrip “kosten” is genoemd. Dat kosten zijn verschuldigd blijkt dus uitsluitend uit de AV 1995. Dat betekent dat ASR [eiseres] niet voorafgaand aan de totstandkoming van de beleggingsverzekering informatie heeft verschaft over de kosten, maar bij de totstandkoming. Dit is toegestaan omdat [eiseres] op grond van sectie A, art. 2, onder b, AV 1995 het recht had om de verzekeringsovereenkomst binnen twee weken na ontvangst van de polis op te zeggen. [eiseres] heeft de toepasselijkheid van de AV 1995 niet betwist. De kantonrechter overweegt echter dat bij deze wijze van informatieverschaffing de verplichtingen voor de verzekeringnemer duidelijk uit de AV 1995 moeten blijken, zodat de oplettende en aandachtige consument zich bij kennisneming van de AV 1995 direct bewust wordt van zijn verplichtingen.

4.25.Met betrekking tot de inhoud van de door ASR verschafte informatie over de kosten valt op dat onder 3. “Omvang van het levensplan” wordt beschreven dat de premies en koopsommen die door de verzekeringnemer verschuldigd zijn, volledig zijn bestemd voor aankoop van units (daarvoor gedefinieerd als beleggingseenheden) tegen de verkoopkoers. Daarbij wordt verwezen naar sectie C-Beleggingen. Over de kosten wordt bij de omvang van het levensplan bepaald dat er kosten zijn voor gekozen uitkeringen (sectie D) en overige kosten (sectie E). Daarbij is opgenomen dat deze kosten worden verkregen door het royeren van units tegen biedkoers. Uit de omschrijving in de algemene voorwaarden met betrekking tot de kosten volgt dat er op grond van sectie E (1) poliskosten verschuldigd zijn en (2) kosten voor alle uitkeringen. De inhoud van het begrip “kosten voor alle uitkeringen” wordt in de algemene voorwaarden niet nader omschreven. In diezelfde sectie E, art. 4, wordt verwezen naar de appendices 1, 3 en 4. In appendix 1 is een tabel gegeven van de “kosten per maand per NLG 100.000,- overlijdenskapitaal”. Naar tussen partijen niet in geschil is, verwijst dit naar de premie overlijdensdekking.
Zoals hiervoor opgemerkt worden in sectie C-Beleggingen ook beheerskosten, aan- en verkoopkosten en administratiekosten vermeld onder de paragraaf “Fondsen”, zonder dat uit de definitie over de omvang van het Levensplan of de kosten van het Levensplan blijkt dat ook deze kosten bij de verzekeringnemer in rekening worden gebracht.

4.26.De kantonrechter begrijpt dat de onder sectie C-Beleggingen genoemde kosten niet expliciet zijn gemaakt, omdat zij deel uitmaken van de waardebepaling van de basisunits (beleggingen). Het zijn echter wel kosten voor de verzekeringnemer. Door deze kosten in de definities over de omvang van het Levensplan en kosten onvermeld te laten en door de kostenposten op verschillende plaatsen in de algemene voorwaarden te vermelden, heeft ASR naar het oordeel van de kantonrechter, bezien vanuit het perspectief van de oplettende en aandachtige verzekeringnemer en in het licht van de overige hiervoor genoemde omstandigheden, onvoldoende inzicht geboden in de kostenstructuur van het product. Het betoog van ASR, aangehaald in 4.18, onder (c), faalt dan ook. De kantonrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat, naar [eiseres] terecht stelt, de kosten niet of nauwelijks zijn gespecificeerd en dat – met name door de verspreiding ervan – geen inzicht wordt geboden in het totaal van de kosteninhoudingen. Het feit dat ASR in de oude jaaroverzichten een aantal kosten (“verschil verkoop/biedkoers”, “poliskosten” en “overlijdensdekking”) wel vermeldt, maar de beheerskosten en administratiekosten niet expliciet maakt, heeft de onduidelijkheid over de kosten nog verhoogd, doordat daarmee kennelijk en niet onbegrijpelijk de suggestie bij [eiseres] is gewekt dat de kosten die wel worden vermeld in deze jaaroverzichten, alle kosteninhoudingen betreffen. [eiseres] is er kennelijk en niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat er poliskosten, een overlijdensrisicopremie en beleggingskosten (“verschil verkoop/biedkoers”) waren verschuldigd en is er daardoor niet op bedacht geweest dat er meer beleggingskosten werden ingehouden. Met het oog op hetgeen hiervoor onder 4.12 is overwogen, acht de kantonrechter het dan ook voldoende aannemelijk dat [eiseres] onder de gegeven omstandigheden eerst door kennisneming van het De-Ruiter overzicht daadwerkelijke bekendheid kreeg met de totale kosteninhoudingen.

4.27.De kantonrechter verwerpt het betoog dat ASR bij de aanvang van de beleggingsverzekering geen exacte informatie kon verstrekken over de hoogte van de ingehouden kosten, omdat deze afhankelijk waren van de fluctuerende waarde van de beleggingen. Dat spreekt voor zichzelf. Dat neemt niet weg dat ASR in haar algemene voorwaarden een duidelijke beschrijving en een duidelijk overzicht had kunnen geven van de omvang van de kosten. Dat ASR bij aanvang van de verzekering meer informatie had kunnen geven over de omvang van de door haar in rekening gebrachte kosten blijkt reeds uit het De Ruiter-overzicht. Daarnaast had ASR in elk geval meer informatie kunnen verschaffen door bijvoorbeeld de factoren te noemen die bepalend zouden zijn voor de hoogte van de uitkering (en daarmee het rendement), waaronder de kosten. Het betoog dat is weergegeven in onderdeel 4.18, onder (a), faalt dan ook.

4.28.Dat ASR, zoals uiteengezet in 4.18, onder (b), met het door haar in de offerte genoemde rekenvoorbeeld indirect transparantie heeft verschaft over het met de verzekering te behalen rendement, inclusief de kosteninhoudingen, is op zichzelf genomen juist. De vraag is alleen of met dit enkele rekenvoorbeeld voor [eiseres] voldoende duidelijk is geworden welke invloed de kosteninhoudingen hadden op het totale rendement van de beleggingsverzekering. Die invloed kan, doordat de kosten in het rekenvoorbeeld niet zijn uitgesplitst of anderszins expliciet zijn gemaakt en doordat geen vergelijkende rekenvoorbeelden bij een lager en/of hoger rendement zijn gegeven, nu juist niet uit dit enkele rekenvoorbeeld worden afgeleid.

4.29.Nu uit het voorgaande volgt dat de kosten weliswaar in de AV 1995 zijn genoemd, maar de structuur niet uitdrukkelijk en weinig begrijpelijk is weergegeven, terwijl deze kostenstructuur evenmin helder is weergegeven in de nadien verstrekte jaaroverzichten “oude stijl”, is de kantonrechter van oordeel dat de verzekeraar is tekortgeschoten in de zorgplicht jegens [eiseres] in het kader van de totstandkoming van de verzekering door haar onvoldoende te informeren over het totaal aan kosten dat uit hoofde van de verzekering in rekening zou worden gebracht, waardoor zij evenmin inzicht kon hebben in het rendement van het haar aangeboden product.
– betrokkenheid tussenpersoon
4.30.Aan het bovenstaande doet niet af dat [eiseres] de beleggingsverzekering heeft afgesloten door tussenkomst van een tussenpersoon. De voorschriften omtrent de informatieverschaffing over een beleggingsverzekering zijn immers gericht tot de verzekeraar zelf en hebben betrekking op het door hem aangeboden product. De verzekeraar kan aan de hem gegeven verantwoordelijkheid voor het verschaffen van juiste, adequate en tijdige informatie niet ontkomen, doordat bij de totstandkoming van de verzekering een tussenpersoon is betrokken. De verzekeraar zal erop moeten blijven toezien dat een potentiële verzekeringnemer, hetzij door tussenkomst van de tussenpersoon, hetzij rechtstreeks van de verzekeraar, de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn voor een goed begrip bij de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verzekeringsovereenkomst. Dat geldt temeer nu het de verzekeraar is die als professioneel georganiseerde ondernemer met specifieke kennis (financiële en actuariële) kennis, zijn – complexe en op lange termijn werkende – producten aanbiedt aan ‘eenvoudige’ burgers, die in de regel deze specifieke kennis niet bezitten en daardoor minder in staat zijn om de aangeboden verzekering op zijn merites te beoordelen. Het belang van goede informatie is daardoor zeer groot.

Waarschuwingsplicht voor specifieke risico’s
4.31.[eiseres] heeft in het verlengde van haar stellingen over het niet voldoende geïnformeerd zijn over de kosten, betoogd dat zij onvoldoende is gewaarschuwd voor bepaalde risico’s, zoals (i) het risico dat de aan de polis verbonden kosten eerst worden terugverdiend, alvorens er rendement kan worden behaald, (ii) het risico dat bij een premieverlaging de kosten onverkort worden doorberekend, waardoor een reëel rendement niet meer te verwachten is, (iii) het inteer- en hefboomeffect en (iv) het risico dat door kosteninhoudingen de polis niet passend was bij de doelstelling en risicobereidheid van de afnemer.3

4.32.Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] onvoldoende duidelijk gemaakt waarop zij deze waarschuwingsplicht van de verzekeraar grondt. Zoals door ASR met juistheid is betoogd, is in de AV 1995 bepaald dat de premie volledig wordt aangewend voor de aankoop van units en dat de kosten worden voldaan door het royeren van units. Dat is vermeld onder 3, Omvang van het Levensplan, en wordt herhaald in sectie E, art. 1. De wijze waarop de kosten worden verrekend is derhalve duidelijk overeengekomen. Dat sprake is van churning, d.w.z. het uitvoeren van overdreven veel transacties met als doel zoveel mogelijk provisie te genereren, blijkt uit deze enkele regeling niet. Dat de kosten doorgaan, ook als de koersen niet stijgen, en daardoor wordt ingeteerd op het behaalde rendement, ligt ook voldoende in de AV 1995 besloten en is overigens ook niet onbegrijpelijk. In sectie F, art. 1, en sectie G, art. 1, is voorts bepaald dat gedeeltelijke afkoop en wijzigingen in de polis van invloed zijn op het totaal van de uitkering. Hieruit volgt dat in de algemene voorwaarden geregeld is op welke wijze de kosten zullen worden verrekend en ook dat gedeeltelijke afkoop en poliswijzigingen van invloed zijn op de uiteindelijke uitkering. Dat er naast deze informatie nog een waarschuwingsplicht voor de verzekeraar jegens [eiseres] zou bestaan, valt niet zonder meer in te zien. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft ook te gelden dat in het licht van deze informatie het aan [eiseres] was om wanneer zij meer inzicht wilde in de wijze waarop de kosten werden ingehouden en de gevolgen van poliswijzigingen, zij zich daaromtrent tot hetzij de verzekeraar, hetzij haar tussenpersoon had moeten wenden.
Naar ASR gemotiveerd heeft gesteld, doet als gevolg van de omstandigheid dat het verzekerd risico zeer laag is (10% van het opgebouwde kapitaal) en dit risico niet groter wordt bij tegenvallende beleggingsresultaten, het hefboom- en inteereffect zich niet voor: de overlijdensrisicopremie zal niet worden verhoogd.

Tijdig geklaagd?
4.33.Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de tekortkoming van ASR zich beperkt tot hetgeen is overwogen in ?4.29. Vaststelling van deze tekortkoming leidt tot de door ASR opgeworpen vraag of [eiseres] op de voet 6:89 BW tijdig heeft geklaagd. ASR heeft betoogd dat dit niet het geval is en dat de vordering daarom niet kan worden toegewezen. [eiseres] heeft dit betwist.

4.34.Het betoog van ASR slaagt niet. [eiseres] heeft – naast de stelling dat zij wel tijdig heeft geklaagd – met juistheid aangevoerd dat reeds kort nadat de De Ruiter-overzichten waren verzonden (februari 2008) en de Ombudsman Financiële Dienstverlening zijn aanbeveling deed (maart 2008), door een groot aantal verzekeraars, waaronder ASR, is te kennen gegeven dat zij de aanbeveling wilden opvolgen en dat er onderhandeld zou worden over een compensatieregeling, die er uiteindelijk, op 22 december 2011, is gekomen. In de brief van 22 december 2011 is aan [eiseres] voorts de gelegenheid geboden om zich te beraden over eventuele door haar te nemen vervolgstappen. In het licht van deze feiten en omstandigheden komt de kantonrechter tot de conclusie dat [eiseres] door haar brief van 17 juni 2001 (via Consumentenclaim B.V.) niet te laat heeft geklaagd. De kantonrechter neemt daarbij mede in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat ASR onder de gegeven omstandigheden in haar belangen wordt geschaad.

Schade
4.35.Uit het vorenstaande volgt dat ASR, door bepaalde kosten onduidelijk weer te geven, is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om in de precontractuele fase adequate informatie te geven over de kostenstructuur van de verzekering. Gevolg daarvan is dat [eiseres] onvoldoende zicht had op het werkelijke rendement dat met deze beleggingsverzekering kon worden verkregen. De vraag die zich thans voordoet is in hoeverre [eiseres] hierdoor is benadeeld.

4.36.ASR heeft met juistheid betoogd dat voor zover [eiseres] is benadeeld omdat haar te hoge kosten in rekening zijn gebracht, dit nadeel is weggenomen door toepassing van de Compensatieregeling, inhoudend dat aan [eiseres] een eenmalige vergoeding toekomt wegens te hoge kosten in het verleden van € 1.834,-. Dit bedrag is in haar beleggingsverzekering gestort. Daarnaast ontvangt [eiseres], zolang zij premie betaalt, een jaarlijkse vergoeding van € 73,80.4 Door toepassing van deze regeling zijn de maximale kosten op jaarbasis van de beleggingsverzekering teruggebracht naar 2,45% over de waarde van de verzekering. Van de zijde van [eiseres] is niet gesteld dat deze kosten in redelijkheid niet bij haar in rekening kunnen worden gebracht. Nu na toepassing van de Compensatieregeling niet van een disproportioneel karakter van het kostenniveau is gebleken, is niet komen vast te staan dat [eiseres] onder de huidige situatie is benadeeld doordat ASR gedurende de looptijd van de beleggingsverzekering onredelijk hoge kosten in rekening heeft gebracht.

4.37.[eiseres] heeft echter betoogd dat zij niet is gecompenseerd voor het rendementsverlies dat is ontstaan doordat de hoge kosten werden verdisconteerd in de verkoop/biedkoers van de units. Nu vaststaat dat een deel van de kosten, waaronder de beheerskosten, de aan- en verkoopkosten en de administratiekosten, door de verzekeraar bij de waardebepaling van de basisunits (beleggingen) in rekening werd gebracht, is aannemelijk dat bij [eiseres], doordat aanvankelijk te hoge kosten zijn verrekend, rendementsverlies is opgetreden. Nu uit de stellingen van partijen niet valt af te leiden welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn, acht de kantonrechter het noodzakelijk dat partijen zich hierover alsnog bij akte uitlaten. Als gevolg van het feit dat het in deze zaak de verzekeraar is geweest die de hoge kosten aanvankelijk in rekening heeft gebracht, en voorts gelet op haar deskundigheid ter zake en de omstandigheid dat het aan de verzekeraar is om een onderbouwing te geven van het rendement dat is behaald en in het verlengde daarvan van hetgeen hij krachtens de verzekeringsovereenkomst aan haar verzekeringnemer is verschuldigd, zal de kantonrechter eerst de verzekeraar in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het rendementsverlies dat is opgetreden door het in rekening brengen van een hoger kostenpercentage dan 2,45%. Daarna zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

Slotsom
4.38.De kantonrechter concludeert dat de vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling is verjaard. Dit geldt echter niet voor de vordering tot schadevergoeding en ontbinding, nu aannemelijk is geworden dat [eiseres] eerst in februari 2008 door ontvangst van het De Ruiter-overzicht bekend is geworden met de omstandigheid dat ASR meer kosten inhield dan zij tot dan toe had aangenomen. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat ASR is tekortgeschoten in de jegens [eiseres] te betrachten zorg doordat ASR [eiseres] bij de totstandkoming van de overeenkomst onvoldoende heeft geïnformeerd over de totale kosten die uit hoofde van de verzekering in rekening zouden worden gebracht. Aan [eiseres] is onvoldoende inzicht gegeven in de kostenstructuur van de verzekering en zij had bijgevolg onvoldoende inzicht in het rendement van het haar aangeboden product. ASR is – onder verwerping van haar beroep op art. 6:89 BW – daarom aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade. Met de door ASR aan [eiseres] aangeboden Compensatieregeling is echter een deel van de door [eiseres] geleden schade gecompenseerd. Partijen dienen zich uit te laten over de vraag welke schade thans nog voor vergoeding in aanmerking komt.

5.Beslissing
De kantonrechter:

– verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 10 januari 2013 voor het nemen van een akte aan de zijde van ASR zoals vermeld onder ?4.37; waarna de zaak zal worden verwezen naar de rolzitting van donderdag 21 februari 2013 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van [eiseres] zoals vermeld onder ?4.37;
– houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. Brand en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 29 november 2012.